Verantwoording Webversie

 

Aanvullingen enz.

 

Wederwaardigheden, ervaringen en herinneringen uit mijn leven.

 

Op vrijdag 15 februari 1889 ben ik geboren uit mijn Ouders Cornelis van Velzen en Elizabeth Jacobusse, mijn vader was toen 32 jaar oud en mijn moeder 24 jaar. Ik was het 2e kind uit Vaders 2e huwelijk. Zijn eerste Huwelijk was geweest met Elisabeth Polderman, waaruit 7 kinderen waren geboren.

Dit zijn: Pieter, Pieternella, Helena, Marinus, Cornelis, Cornelia en Maria.

Dit huwelijk werd gesloten op 22 mei 1873, maar op 7 mei 1884 overleed Vaders eerste Vrouw, nog slechts 38 jaar oud. Daarna op 23 mei trad hij voor de 2e maal in het huwelijk.  Dit was in 1886, met mijn moeder dus Elizabeth Jacobusse voornoemd. Zij was een dochter van Pieter Jacobusse en Suzanna van Boven. Zij was toen nog maar 21 jaar oud.

Op 14 juli van dat jaar werd broer Gerard geboren. Hij was dus het eerste kind uit dit huwelijk. Daarna op 9 oktober van het jaar 1887 overleed nog slechts 6 jaar oud Cornelis, het 5e kind uit het eerste huwelijk. Gerard was toen 15 maanden oud. 16 maanden daarna werd ik geboren en dus weer Cornelis genaamd. Zij hadden toen weer 8 kinderen. De oudste 15 jaar oud. Het waren toen voorwaar zorgelijke tijden en armoede heerste alom. Gebrek en tekort aan alles. Lage lonen, weinig werk, geen sociale voorzieningen als nu, dan alleen wat kerkelijke steun, welke nog onder dwang werd gegeven.

Mijn Vader behoorde tot de Nederlands Hervormde Kerk, terwijl mijn moeder van afkomst was van de Christelijk Afgescheidenen zo zij die toentertijd noemden. Het zijn thans de Gereformeerde Kerken. Zeer tegen de zin van haar ouders was mijn moeder met Vader meegegaan. In die dagen stond als predikant in de Hervormde Kerk Dominee Bokma en in de Gereformeerde Kerk Dominee J. de Koning.

Zij liggen beiden hierop  het kerkhof begraven, daar ze hier tot hun dood hebben gestaan of met emeritaat zijn gegaan. Dominee Bokma is 1912 en Dominee de Koning in 1911 gestorven. Als deze Hervormde dominee dan eens in het jaar bij ons op huisbezoek kwam, was zijn eerste vraag, hoe het stond met de aardappeltjes, of we die in de kelder hadden en dan naar de leeftijd van allen. En o, wee als je dan 10 jaar of ouder was, dan zei hij gauw dat je ook wel mee kon om wat te gaan verdienen. 

Was de kerk er natuurlijk vanaf. Geestelijke zaken bracht hij niet te berde. Leerplicht bestond in die tijd niet. Werken van maart tot november en dan in de wintermaanden naar school. Je was dan een zogenaamde winterklant.

In de zomer mee gaan werken of gaan rapen van 's morgens 6 uur tot 's avonds half 7.

Mijn geboortehuis was het oude huisje achter de Hervormde Kerk. Daar waar jaren Toontje Sinke (en Jikke Koster) hebben gewoond. Het was zo scheef gezakt dat het op instorten stond en nu in de winter van 1959 is afgebroken. We hebben nog getracht er een foto van te maken, maar omreden het overal tussen stond ging zulks niet. Wel hebben we samen met broer Gerard een paar jaar geleden nog eens in wezen kijken. De bedstede waarin wij geboren waren was er nog, maar deed nu dienst als kolenhok, wij zijn dus niet in één of ander koninklijk paleis geboren en kunnen op onze afkomst in deze niet roemen.

Wij zijn toen na een paar Jaar in 1890 verhuisd naar de Langeviele, dat was waar nu de opslagplaatsen zijn van de Firma Tegelaar voorheen van Doorn. Daar stond een lange rij van 10 huisjes aan elkaar en heel op het eind nog 4 dwars langs de daar lopende watergang. In het eerste van die dwarse rij woonde een zekere Weduwe Balk,  geboren

 

1

 

van Harn, welke later met haar zoon en dochter naar Amerika is vertrokken. Deze zoon is over een paar jaar gehuwd met een zekere Maria Tramper een zuster van Hein Tramper en Jan enzovoorts, welke als ongehuwd enkele jaren geleden is geëmigreerd.

Dan in het 2e huisje woonden wij en daar hebben we zo ongeveer 9 jaren onze jeugd gesleten. Deze huisjes waren eigendom van Thomas van Doorn, de grootvader van Thomas en Lou van Doorn, welke ook tevens Diaken was in de kerk. In het 3e huisje naast ons dan weer woonde een zekere Weduwe Hoekman met haar kinderen, waarvan nu nog leven Andries en Kees. Eerstgenoemde buren waren erg onplezierige mensen, maar laatstgenoemde waren erge goede buren. Zij hadden ook een zoon Piet, dat was Gerard Hoekman z'n Vader, die ook later van z’n Vrouw Tannetje Slabbekoorn is gescheiden en naar Amerika gegaan. Hij was manufacturier en reed op een hondenkar door het land. Als jongen mocht ik menigmaal met hem op de kar meerijden. Hij had twee grote trekhonden, welke achter het huisje tegen de zogenaamde kille stonden.

Naar ik meen zeker te weten is die kille er nog maar de huisjes zijn alle afgebroken. Op die kille reden we dan in de winter sleetje, want schaatsen was een luxe. We menen niet te overdrijven maar zeker een kwart gedeelte van de toen Ingezetenen heeft in die Viele langer of korter tijd gewoond. Een soort toevluchtsoord dus. Ik meen dat de huur 70 of 80 cent per week was. Maar als men dan rekent dat het loon van een volwassen arbeider 80 cent per dag was. Dan moest toch een volle dag gewerkt worden voor de huishuur, begrijpelijk dat zeer velen in de winter deze huur niet konden opbrengen, zodat er in de zomer voor gewerkt moest worden.

Het huisje bevatte een zogenaamde voordeur die in een schuurtje uitkwam, waar geen vloer in lag, dus gewone aarde en dan dicht tegen die voordeur was een zijdeur in de tussenmuur van woonkamer en schuur en daarmee kwam men dan in de kamer. Deze was zo plusminus 3 bij 3 meter. Recht tegenover die voordeur stond dan tegen de scheidingsmuur de schoorsteen en tegen de achtergevel de bedsteden. Dan was er een laddertje in de schuur welke toegang gaf tot de zolder, waarop diverse bedsteden getimmerd waren Op de kachel die winter en zomer moest branden was dan ook de kookgelegenheid voor heel het gezin. Je kunt begrijpen wat zulks in de zomer betekende. Waterleiding was niet bekend. Regenbakken ook niet, dus werd het drink- en kookwater in een regenton opgevangen.

Wat een toestanden! Het is en blijft mij tot op heden een onbegrijpelijk iets hoe een mens  daaronder leven kan en toch hebben we daar nog met 14 personen groot en (onleesbaar)  klein jaren in gewoond. Echter was het gemeenschapsleven van dien aard dat er zeer veel gezelligheid onder elkaar was. Wij herinneren ons nog een oude godzalige man, die ook in een van die huisjes woonde namelijk Adriaan Tramper. Een oudoom van Hein Tramper enzovoorts. Wat heeft hij menigmaal voor ons gebeden, hoewel ik er toen nog weinig van begreep. Hij was kerkelijk van dezelfde richting als mijn Grootvader en Grootmoeder bij wie hij ook nog al eens kwam. Hij droeg echter een zwak lichaam om, zodat hij niet in staat was te werken.

Ik ben op 1 mei 1895 naar de Openbare School in de Noordweg gegaan. Er was trouwens toen maar één school ook. Deze was in 1882 aldaar gebouwd en is feitelijk nog heden ten dage dezelfde school, al is hij in 1950 dan ook geheel verbouwd, maar toch nog hetzelfde gebouw. Ik was toen erg blij dat ik naar school kon, want leren was mijn liefste bezigheid. Ik werd in die tijd een paar weken voor de schooltijd ingeënt tegen de pokken en met dat pokkenbriefje gewapend mocht je dan naar school. Ik kwam te zitten bij juffrouw Nieuwenhuijze en in het lokaal dat nu ingericht is als gymnastieklokaal tegen de eerste gang.  Mijn buurman was een zekere Toon Krijger, zoon van Gerard Krijger en Martina de Kok. Hij is nu rustend arts in Bussum. Zijn moeder was een dochter van Toon de Kok en een zuster van Jaap de Kok, welke bij Jan Zandijk enkele jaren geleden in de ouderdom van

 

2

 

ruim 90 jaar is overleden. Zijn moeder is echter al zeer vroeg gestorven Nadat hij van de lagere school is afgegaan is hij verder gaan studeren en hebben we elkaar niet meer ontmoet. Wij zaten in dé achterste bank.

Ik deed natuurlijk ook goed mijn best vooral als je dan langs zulk een vriendje komt te zitten. En maar schrijven met een griffel op een lei, want pas in de derde klas begon men met papier en dan nog maar met een potlood. Op 1 mei was het altijd overgang van de ene klas naar de andere en dan ging het in optocht na aflezing van de namen van de ene naar de andere klas met de klompen in de hand. Nu was het zo dat de beste eerst werd afgelezen en zo vervolgens aan. En laat ik nu in klas één en ook in klas 2 de eerste wezen. Welk een eer voor een kind dat is, laat zich zeer gemakkelijk begrijpen.

Vakanties waren niet zo druk als tegenwoordig. In de zomer 14 dagen, met Pasen een week, met Pinksteren een halve week en met Kerst en Nieuwjaar een dag of 10 in totaal. Rapporten waren er niet en ik hoefde me niet druk te maken want doorleren was er toch niet bij.

Nog een paar jaar en dan was het met maart van school af. Mee gaan verdienen al was het nog voor zo weinig loon. In de 2e klas kwam ik te zitten bij Meester Oudesluijs, een erge zenuwachtige man. Een herinnering heb ik daar altijd nog aan bij het zingen. Ik zong graag en ook deze man was daar een erge liefhebber van. Hij is over een paar Jaar gestorven en was organist in de Hervormde Kerk van Sint-Annaland. Goed we moesten zangles houden en nu dacht die man dat ik niet meezong en toen kreeg ik er even van langs met de liniaal. Want zo erg nauw namen ze het in die tijd niet. Klappen delen durfden ze goed.

Maar toch ging ik zoals reeds boven gezegd ook weer als nummer 1 over naar de derde klasse. Ik kwam toen te zitten bij een zekere Meester van Koeveringe, welke ongehuwd was en in de kost lag bij de Wagenmaker Abrahamse, welke zijn werkplaats had daar waar nu de garage van Francke is. Jaap Francke z’n Vader heeft deze zaak later overgenomen. Ook deze klas kon ik nog in zijn geheel volgen, daar ik nog maar 9 jaar was en dus nog niet mee moest gaan werken. Ben toen overgegaan naar de 4e klasse en daar was meester Frelier onderwijzer in. Met hem kon ik nog al goed overweg, was geen beroerde meester.

Ik zat in deze klas naast Piet Cok, de bakker van later. Dit was in het jaar 1898, dus het kroningsjaar van Koningin Wilhelmina. Voor mij zou dit een blijde gebeurtenis zijn, daar er voor de school ter gelegenheid van Hare Majesteits troonbestijging voor de Openbare School 12 medailles beschikbaar werden gesteld voor de 12 beste leerlingen. Voor de 7e klas 4, voor de 6e klas 4, voor de 5e klas 2 en voor de 4e klas ook 2. Er was natuurlijk een zekere soort spanning wie de beste leerlingen zouden zijn van elke klasse. Want dit zou een geheim moeten blijven tot op het moment van de uitreiking. Dan werd de naam van het meisje en de jongen afgeroepen, want er moesten de helft voor jongens en de helft voor meisjes beschikbaar worden gesteld. Juist om des middags half 3, op het juiste moment dat de Koningin gekroond werd, zou de Burgemeester in school komen om de medailles uit te reiken. En laat ik dat nu net ten deel vallen. Wat een ere, een bronzen medaille met inscriptie ter herinnering aan de kroning van Koningin Wilhelmina.

Burgemeester Elenbaas was toen hier burgemeester. De andere voor de 4e klas viel ten deel aan Jane de Kok, de latere dienstmeid van Jan Krijger. Jammer dat ik in de loop der jaren die ridderorde ben kwijt geraakt? Maar ter zake als je dan nog maar een jongen van 9 jaar bent, kun je begrijpen wat dit is. Ik kan me tenminste nog zeer goed heugen dat ik zo hard mijn benen konden lopen me naar de Viele spoedde. Naar Moeder natuurlijk en allemaal blij. Trouwens dat was wat. Deze medailles hadden uitgestald gelegen voor het raam van het Gemeentehuis en nu had ik er een in mijn zak. Daarna was er feest op de weide van Kakebeeke, daar waar nu de huizen staan aan de Johan Willem-

 

3

 

Frisostraat, de vroegere Zuidweg, waar Gerard nog een paar jaar heeft gewoond. Ik kreeg toen nog een portemonnee en broer Gerard een inktstel.

In 1899 ben ik overgegaan naar de 5e klas, waar toen Meester Versluijs in was. Deze woonde toen in het huis waar nu onze zaak is. Dit was toen een gewoon woonhuis, dat daar in 1896 gebouwd is. Ik weet nog goed dat op die zelfde plaats een soort heestertuintje was.  Maar in deze klas zou het voor mij maar tot een half jaar leren komen, daar ik al vroeg in het voorjaar met Vader mee moest op aardappels te gaan zetten. Hij werkte toen bij  Toon de Kok, die boer was aan de Oostweg, daar waar nu de familie Pagee woont. Dat is nog het oude Boerenhuis. De schuur stond daar direct achter en de koestal was daarnaast. Dit is de zaak van Van Houdt, waar nu een woonhuis in is. Deze had ook nog land aan de Oostdijk juist in die hoek van de Maagspolder.

En dan van 's morgens 6 uur tot 's avonds half 7 en lópen natuurlijk. ’s Middags de boterhammen op het land opeten met een fles water want verwarmingsflessen of kruiken waren toen nog niet bekend. En dan voor 40 cent op een dag. Schrikkelijke toestanden en hemelschreiend. Wat gelukkig dat deze toestanden niet meer bestaan. Geen wonder dat het sterfte cijfer toen abnormaal hoog was en dat er vele ziekten vooral t.b.c. aan de orde van de dag waren.

Ook ik ben in dat jaar ziek geworden en wel in de maand Augustus. Ik kreeg zogenaamde roos in mijn gezicht en moest daarmede een paar dagen binnen blijven. In begin september mocht ik naar buiten en ben toen met broer Johannes aan mijn hand wezen kijken naar de opening van de Christelijke school aan de Wilhelminastraat (vroeger de Baan) die toen opgericht is. Graag had ik ook daar naar toegegaan, maar vader was niet zo godsdienstig getint en was in dezen ook veel te veel afhankelijk van die felle tegenstanders van dit onderwijs. Maar zelf vond ik Bijbellezen en Psalmverzen leren iets geweldigs, broer Johannes stond aan mijn hand te trekken om er naar toe te gaan, maar wij mochten er vanzelf niet in. Trouwens had ik een grote doek om mijn hoofd, dus durfde ik nog niet ver weg te lopen. Hij moest altijd met me mee,  maar daar ik 6 jaar ouder was  dan hij, was ik daar altijd niet opgesteld. Hij heeft wat geschreeuwd als hij niet met me mee mocht. We hadden een kleine kruiwagen en daar moest ik hem dan in rijden.

In deze zomer is ook Grootvader Piet Jacobusse gestorven op een Zondagavond, toen we reeds op bed lagen kwam moeder het zeggen. We hebben toen veel geweend,  daar we erg veel van hem hielden, omdat hij een zeer beste man was. Ook voor moeder was dit een zeer zwaar verlies.

In het jaar daarop in 1900 zijn we uit de Langeviele verhuisd naar de Meiboom, waar de Heer Jan de Goffau van Rilland een dubbel woonhuis had laten zetten voor speciaal grote gezinnen. Dat zulks een bijoogmerk had was dat deze man kleermaker was en daardoor alzo de mensen aan hem verplichtte om te kopen. Ik meen dat we daar 1 gulden per week moesten verwonen.

In ieder geval was het voor ons een flinke vooruitgang. We hadden een betrekkelijk grote kamer, met 2 bedsteden en een ruime zolder, met achter de woonkamer nog een soort kamertje waarin de trap naar zolder stond. Ook was er een grote regenbak aan welke wel voor beide gezinnen moest dienen, maar toch was het beter dan een regenton. Als buren kregen we een zekere Quinten Moerdijk, welke later naar Amerika zijn gegaan.

We hebben als aandenken aan deze woning nog altijd een schilderijtje in onze tegenwoordige slaapkamer. In 1927 zijn deze huizen afgebroken voor de aanleg van de tegenwoordige Rijksweg. Tot zolang heeft Vader er ingewoond. Toentertijd stonden daarnaast nog 3 huizen in de diepte gebouwd, waarin woonden in het voorste Jan Kole, dan Jan van Noorden, Piet's Vader en Moeder, en in het achterste Jan Schrijver. Later is het voorste van deze afgebroken en op die plaats tegen dat van ons vast áán een nieuw gezet, waarin Piet Huissen en Jane de Bokx is komen wonen. Deze waren uit de Schapenput uit Duivenhoek gekomen. Uit dit gezin heeft broer Gerard

 

4

 

zijn vrouw gehaald. Ook hadden zij een ongelukkige dochter Jane, die later in haar doen en laten nogal eens door werd aangehaald. Echter zeer goede en aangename buren, wat later nog zal blijken na Moeders dood. Zij zijn ons zeer veel tot hulp en steun geweest. Na de emigratie van Familie Moerdijk zijn als nevenburen naast ons komen wonen Marien Geense en Stina Koster. Ook een groot gezin, waarvan de oude Geense nog leeft. Ook zij waren voor ons beste buren. Het was toch een gezellige tijd, niettegenstaande de armoede die er alom heerste.

Als jongen van 10 jaar breng ik mij nog een voorval in herinnering, toen ik moest gaan werken in de maand mei om zomerraapjes op te gaan trekken in de boomgaard van Jacob Wabeke (thans eigendom van Susan Welleman) in de Maire-polder. Daar was Jan Traas (de tegenwoordige Jaap Traas z’n vader) voorman, ik verdiende daar 40 cent per dag. Maar de eerste morgen dat ik weg was, kreeg ik zulk een heimwee naar mijn Moeder, dat ik het niet meer kon uithouden en ik naar huis moest. Of we ook een goede Moeder hadden? Dat laat zich des te beter verstaan, dat zij absoluut geen onderscheid maakte tussen haar eigen kinderen en die uit het eerst huwelijk van vader. Ze waren haar allen even lief. In zeer veel gevallen is dit wél eens anders.

Daarna in zomer gaan rapen als tarwe en gerst en haver en dan in de regel naar de Fredericapolder. ’s Morgens om 5 uur op stap en ’s avonds om 7 uur thuis. Vader en de andere broers werkten daar en dan mocht je daar zogenaamd als eigen volk rapen. Zo moest in de zomer zo veel als mogelijk was opgezameld worden voor de lange koude winters.

Wat een toestanden en afbeuling van kinderen, maar de omstandigheden dreven er toe. Gelukkig dat Vader een stoere en harde werker was. Hij kon graan snijden als de beste, maar de lonen waren alstoen op een ongekend laag peil, zodat met hard werken er nog geen stukje kaas, laat staan vlees af kon. We kregen eenmaal per week Zondagsmorgens een klein schepje suiker in onze thee en Zondagsmiddags een klein stukje kaas bij onze boterham. Eenmaal in het jaar eieren, die je dan met Pasen bij de boeren op moest gaan bedelen. Varkens of kippen houden was er niet bij. Dat ging helemaal niet. Zondags na kerktijd (!) mocht je dan naar de oude consistorie achter de kerk om een rijksdaalder komen. Er was toen een zekere Tollenaar (de vader van de tegenwoordige dames Tollenaar) diaken. Deze was bakker en winkelier en verplichtte je dan nog om die rijksdaalder bij hem in de winkel te besteden. Wat een Christelijkheid. Verplichte winkelnering. Hij had bovendien een vrouw die deed denken aan Izebel, die haar man nog ophitste Je hoeft niet te vragen wat voor preek dan zulk een dominee zondagsmiddags had gehouden.

Wat een verleiders, in plaats van leiders des volks, Wat een verantwoording om daarmee voor een alwetend God te verschijnen.

Er was toen in die tijd een eenvoudig dom mannetje als Ouderling in de kerk en die moest eens een preek lezen, wat toen nog al eens gebeurde, omdat de dominee een vacante gemeente moest dienen en die had toen een leespreek van een oude schrijver gelezen in zijn onwetendheid, namelijk een van Hellenbroek. Toen die dominee daar achter kwam zei hij: geen broeken meer, hoor! En dat mannetje durfde het niet meer ook? Of de predikanten toen ook invloed hadden op de massa des volks? Geen wonder want Dominee Bokma was een student van de etische Proffesor Valeton. Een man die de hele kerk zowat verwoestte en op een erg dwaalspoor bracht. Toch moesten wij altijd 2 maal ter kerk.  Er was geen sprake van thuisblijven. Nog zie ik Voor mij vele van die oude mensen, die nu allang gestorven zijn in die oude kerk zitten. Maar ook velen die later haar de rug hebben toegekeerd en die werkelijk tot de Heere bekeerd zijn. Ik denk daarbij onder andere aan Dignus Wagenaar, die later Ouderling is geweest jaren lang in de Gereformeerde Gemeente. Zaterdagsavonds moesten dan onze klompen geschuurd worden om Zondags mee naar de kerk te gaan. Wij zaten dan op zijbankjes en dan werd er nog al eens gerammeld met de klompen of onder de preek klapte er dan ook wel eens een op de zerken die in de paden lagen. Wat een tijd en welke toestanden! Toch stond ik bij die predikant nog al in goed blaadje. Ik mocht

 

5

 

ook wel boeken van hem lezen, daar hij een uitgebreide bibliotheek bezat, daar hij toen ongehuwd was en erg zuinig leefde. Ik moest dan des zaterdagsavonds

deze afhalen aan de pastorie en wanneer ik ze uithad gelezen mocht ik weer een andere meenemen. Hij zocht dan altijd iets moois voor mij uit, natuurlijk met veel illustraties. Hij had daar nu eenmaal plezier in dat ik zo graag las en tevens wat er uit leerde, Daarom moest ik het op de Catechisatie nog al eens ontgelden, want dan deed hij aan mij nogal moeilijke vragen.

In die tijd was er een Zondagsschool waar de oude heer Breker leider was. Later zou dat mijn baas worden, zoals zal blijken. Hij deed geheel alleen dat werk, wat vanzelf veel te veel was met een honderdtal kinderen.

Ik werd daar aangesteld als zogenaamde Penningmeester, die voor de centen moest zorgen. Eens per maand moest ik die af dragen bij de dominee. Toch is deze alras op gegeven, daar het voor de oude heer Breker veel te zwaar was en de jeugd was toen ook al niet zo erg makkelijk. Met Kerstdag mochten we dan chocolademelk drinken en kregen een sinaasappel en een boekje.

Zondagsavonds gingen we met Vader mee naar de Zangschool, waar we ons eerste Zangonderricht kregen. Ook hier was genoemde heer Breker voorzitter van. We hebben daar Psalmen en Hazeuliederen 4-stemmig leren zingen, wat we thuis ook veel deden.  We waren allen nog al goede zangers en deden het graag ook. Het is wel gebeurd dat de mensen des Zondags op de weg bleven staan luisteren als we 4-stemmig zongen.

We schrijven nu het jaar 1902, wat voor ons nu juist niet van de beste jaren is geweest. In de zomer van datzelfde jaar toch vertrok Grootmoeder met Oom Louis en Oom Marien Jacobusse naar Amerika. Haar dochter Geertruid was reeds in 1889 gegaan en haar zoon Piet in 1901 het jaar van tevoren. Deze was zijn meisje achternagegaan namelijk Krina van Hekken een dochter van Kees van Hekken, die gewoond hebben daar waar nu Vercijs achter de Vaate woont. Later is hij ook in Amerika met haar getrouwd, maar slechts enkele jaren, daar zij zeer jong is gestorven. Grootmoeder is vanaf dorp, zoals we reeds eerder gezegd hebben daar waar nu Jer. v.d. Sande woont. In het laatste huisje woonden zij. Dan naar voren woonde Piet kok (Sam de metselaar z'n Vader en moeder en aan de straat woonden Willem Frederik v.d. Berge (Trui d’r Vader en Moeder) die nu op 't Wegeling woont. Daarnaast in die zelfde gang waar nu Jaap Zandee woont, woonde Jan van Luijk en Toos Witte in haar winkeltje en daarachter in die zelfde gang Jan van Alten en z’n vrouw Kee van de Stamper, zogenoemd in de volksmond. Dan aan de andere zijde woonde de Familie Kees Snoep, de horlogemaker en tevens koster van de Hervormde Kerk. Zodoende kwamen wij daar veel in die buurt en zou het voor ons late leven tot een beslissing komen, omdat we elkaar al van kinds af hadden leren kennen, Familie Snoep hadden 5 kinderen, te weten Nol, Pei en Dirk en Miene, de vrouw van Piet Smit en Pietje, die U later nog vele malen in deze geschiedenis zult ontmoeten.

We hebben nu echter een kleine afwijking gemaakt, maar keren weer terug tot het vertrek van Grootmoeder. Juist op Kruiningse kermis is het er koopdag geweest en de (onleesbaaar) dag heeft de oude Marien de Jonge, die toen huurkoetsier (onleesbaar) was ze met de landauer naar station gebracht.

Wat herinner ik me nog goed, dat roerend afscheid. Ik was toen 13 jaar en Moeder was er met nog al de kinderen. Wat heeft dat een tranen en verdriet gekost. Temeer daar het gans niet noodzakelijk was dat ze weggingen, daar ze het hier zeer goed hadden. Ze konden hun eigen overtocht naar Amerika betalen en dat was voor die tijd zeker heel wat. De beide Ooms werkten bij Ko Butijn op de hoeve aan de Vliet, daar waar nu Joh. van Overbeeke woont. Oom Marien was getrouwd met Janna Meeuwsen een dochter van Adr. Meeuwsen een broer van de oude  Bartel Meeuwsen een nicht dus van Christiaan Meeuwsen. Deze had naar ik zeker meen te weten 2 kinderen. Grootmoeder moest vanzelf ons allen zeer hartelijk kussen, daar ze erg veel van ons hield. Maar het ergste was wel

 

6

 

dat vertrek voor Moeder, die toen al niet goed meer was, daar zij al sinds de geboorte van Gerard een vreselijke ziekte onder haar leden meevoerde namelijk de in die tijd de zogenaamde tering. Tegenwoordig is dat de t.b.c. Zij hoestte altijd en erg veel.

Zulks was Grootmoeder en de ooms zeer welbekend en daarom dat zeer zware afscheid van haar. Ik zie in mijn geest nog dat dramatische afscheid plaats hebben. Zij zei: Jullie zie ik nog wel weer, maar mijn lieve Liesbeth niet meer. Het zou in zo verre ook bewaarheid worden dat ze Moeder nooit meer heeft gezien, want 4 jaar nadien is zij reeds gestorven. Maar ook van ons heeft zij nooit meer iemand gezien, daar er bij ons niet de minste treklust in zat, om naar Amerika te gaan. Later is zij zelf gestorven meer van heimwee dan van ziektes. Maar de Heere wilde het zo, hoewel zij niet veel gelukkige jaren aan de overzijde der Oceaan heeft beleefd.

Het begon al toen zij nog maar in Rotterdam scheep zouden gaan. Oom Louis werd afgekeurd en mocht niet mee. Je kunt je zulk een toestand even indenken, als men dan met twee zoons denkt weg te gaan en er wordt er dan één teruggezonden. Nog zie ik dit tafereel voor ogen. Toen wij ’s avonds thuis kwamen van ons werk zat Oom Louis weer bij ons in huis. Wat raad? Hij gaat direct over Antwerpen met de Red Star line van de Belgische Maatschappij en daar zagen ze niet zo nauw en dat gelukte net. Zodoende kwam hij slechts enkele dagen later in Amerika aan dan zij. Tegenwoordig gaat dat geheel anders, daar weken van tevoren al zulk een keuring plaats heeft.

Toen onderweg op de boot sterft het jongste kind van Oom Marien en wordt in de golven nedergelaten. Wat een toestand, om niet te beschrijven. En dan niet van armoede zoals zovelen in dien tijd weg te moeten.

Maar ook in Amerika zelf is het hun niet zo erg meegevallen. Oom Louis is daar later op betrekkelijk al flinke leeftijd getrouwd met een vrouw, die afkomstig was uit Groningen. Hier heeft hij een kind bij gehad, namelijk Suzan welke nog af en toe correspondentie onderhoud met de familie en die zoals nog nader blijken zal hier ook eens geweest is. Toch heeft hij met deze vrouw ook slechts enkele jaren getrouwd geweest, daar ook zij al vroeg is gestorven. Later is hij toen weer met een zuster van haar getrouwd. Ook Tante Geerte is reeds vroeg gestorven en de vrouw van Oom Piet. Alle nog betrekkelijk op jonge leeftijd.

We keren nu nog even terug op haar wonen daar achter. Zoals gezegd woonden daar de Familie Snoep, die erg goed waren met Bure Suusje, zo ze Grootmoeder altijd noemden. Zij hadden in 1900 ook een zware slag doorleefd door het sterven van haar Man en Vader, op de leeftijd van 58 jaar, dus eigenlijk nog geen leeftijd. Ook hij had jaren gesukkeld. Pietje was toen nog slechts 10 jaar oud. Zij kwam vanzelf ook veel bij Grootmoeder over de vloer, daar Grootmoeder zeer veel van kinderen hield. Zodoende ontmoette zij ook ons nog al eens. Wat zijn de wegen des Heeren toch wonderlijk en wat heeft zij dat later toch dikwijls opgehaald. Reeds toen kreeg zij de toezegging in haar: dat zal later mijn Man worden. Ik heb er nogal eens om gelachen als zij dit ophaalde, daar zij zeer goed van geheugen was en die oude dingen kon vertellen als waren zij gisteren gebeurd. Ik zelf had daar niet de minste erg in, maar later zou toch blijken dat ze het goed vóór had gehad.

Wij hebben samen later deze dingen menigmaal in herinnering gebracht, wat zij gaarne deed over de oude tijd spreken. We zien hierin de Hand de Heeren die alles regeert en naar Zijn wijs bestel des mensen lot en leven regeert.

Echter was ik toen nog maar een jongen van 13 jaar en zij nog maar 12 jaar.

Er zou nog veel moeten gebeuren eer het zo ver was.

Toen in datzelfde jaar 1902 stierf op 19 december van ons een halfzuster Maria, die slechts enkele dagen ziek was geweest, aan zogenaamde nekkramp een zeer gevaarlijke en ongeneeslijke ziekte. Zij was slechts 19 jaar oud.

Ik moest dus zomers en ook ’s winters al mee gaan werken, de school was al achter de rug, alleen in de winter nog eens naar de avondschool, die toen

 

7

 

in die tijd speciaal gehouden werd, voor die soort klanten, die in de zomer niet konden komen. Maar ook dat ging altijd nog niet, daar we in de winter nog al eens ajuin moesten gaan afsnijden en soms wel naar de Zimmerman- polder. We moesten dan ’s morgens bij winterdag al om half zeven op stap en dan door de kromme weg over de Frederikadijk naar de Zimmerman. Hein Lobbezoo (de tegenwoordige Hein z’n grootvader) was daar onderbaas. Ook was Pau Magielse daar zo wat voorman, die ons altijd voorging als we naar en van ons werk kwamen. Hij was Bet van Luijk, Johannes z’n vrouw, d’r Grootvader.

Een echte gezellige oude baas. We gingen dan aan het zingende naar de polder. Miene Wagenaar-Lobbezoo en Maria Kok, de vrouw van de Molenaar waren toen ook nog ongetrouwd en die konden zingen van jewelste. Bij al die armoede toch nog veel gezelligheid en vriendschap onderling. Ook zo ging het zomers, dan trokken we ’s morgens om half zes al zingende door het dorp naar ons werk.

Toch stond mij dat arbeidersvak niet aan. Ik werkte wel ijverig, maar het beviel mij niet en ik zeide in de winter van 1902-1903 tegen vader en moeder dat ik geen arbeider wenste te worden en ging wat anders zoeken. Dat zulks veel voeten in de aarde had, laat zich begrijpen, daar ik me wat verbeeldde en hoe moet dat dan met de verdienste? Vooral bij de andere broers en zusters

zat dat dwars. Maar ik zei dat ik er geen zin in had en het niet meer deed ook. Ik ging proberen een vak te leren. Studeren was mijn liefste wens, maar daar kon toch niks van komen. Dit moest ik dus wel prijs geven.

Ik ben toen naar de oude Heer Breker gegaan, dat was Gerard Breker z’n vader welke een zeer goed vakman in timmeren was en deze kon net goed een leerjongen

gebruiken. Dat was net wat voor mij. Na lang wikken en wegen en ook praten met Vader, die ook met Breker zeer goed bevriend was, kwam het uiteindelijk

net zo ver, dat ik mocht komen.

Dat was wat voor mij. Geen boerenarbeider meer en een vak leren. Maar de verdienste? Dat was vanzelf het grote struikelblok? Ik moest beginnen met 25 cent per week, dat was toen veel, daar de meeste leerjongens in die tijd één gulden per week moesten geven. Geleidelijk aan zou ik dan opklimmen en bovendien mocht ik ’s middags nog blijven eten en ’s avonds ook nog al eens. In ieder geval ik was van het vervelende landwerk af. Een zeer aangename en gezellige tijd heb ik daar meegemaakt. Meest werkte ik samen met Gerard, die nu deze winter 1958 -1959 gestorven is. Dan waren al zijn dochters nog thuis, en met deze heb ik ook gezellig en genoeglijk omgegaan. Zij werkten echter ook op het land, want ook het timmervak was in die tijd lang niet wat het nu is. Zij moesten dus ook mee helpen verdienen. Ik heb bij deze familie zeer veel vriendschap ondervonden. Waar het echter voor mij ook maar weer op aan kwam was dit:

Men moest in die tijd ook zijn eigen gereedschap meebrengen en hoe kwam ik aan dit geld. Ik ben 13 maart op het vak gegaan, dus net de winter achter de rug en een lege kas. Waar haalde ik zo maar een 40 gulden vandaan?

Na lang zoeken en peinzen schreef ik een brief aan de Koningin (dat is nu Prinses Wilhelmina). Ik dacht die heeft zo veel geld en had ook nog al eens gehoord dat ze veel weggaf, wat ze ook werkelijk deed, dus kon ik het ook wel eens wagen. En ziet enkele weken later werd Vader ontboden on bij Burgemeester Elenbaas te komen. Ik schrok me een ongeluk want toen zag ik een Burgemeester als een heilige of zo iets. Hij komt terug en vroeg aan mij: Wat heb je gedaan? Ik was eigenlijk het schrijven al vergeten en ja wel daar kwam het er uit. Ik kreeg 40 gulden van hare Majesteit om mijn gereedschap te kopen. Maar we moesten het stil houden, Niemand mocht dat weten. Wie weet hoeveel brieven er anders naar Het Loo zouden zijn gegaan. Nou je begrijpt wel dat ze ons dat niet hoefden te zeggen. Maar ik was uit de nood gered. Later moest ik de Burgemeester daarvoor bedanken, die dan weer die dank moest overbrengen.

En nu maar leren en werken natuurlijk want geloof niet dat ook het

 

8

 

timmervak nu juist in die tijd ook zulk een baan was on zo maar wat bij te luieren. Je moest in die dagen, leren timmeren, metselen, schilderen en zo wat van alles wat daarbij te pas kwam. Toch zou ik daar op later leeftijd veel gemak van ondervinden dit alles geleerd te hebben.

Ik kwam op 13 maart 1903 dus als krullejongen, zo noemden ze dat in die tijd op de winkel bij Hubrecht Breker. Die zaak stond daar waar nu de kapperssalon

is van zijn kleinzoon. Het was een oude zaak, welke later wel tot tweemaal toe verbouwd is. Toch was het een goede baas, waar ik mijn vak goed bij leerde.

Mijn eerste karwei waar ik mee naar toe moest was het vernieuwen van een polderduiker, tussen de Strodorpepolder en de Oostpolder juist in de hoek van de dijk. Deze was toen geheel uit gewoon hout gemaakt en in de dijk gebouwd. Twee houten sleuven en daartussen liep dan een zogenaamde schoft dat net een rolstang werd op en neer gedraaid en in geval van watersnood moest dit dus dienen voor tegenhouden van het water uit de ene polder uit de andere. Was natuurlijk wel grof werk, maar toch voor mij erg interessant.

In de winter daaraan volgende moest ik ’s avonds naar de Tekenschool voor Ambachtslieden. Deze werd gehouden in een lokaal der Openbare school en als leraar was daar aan verbonden een zekere Heer De Beste uit Goes. Hier heb ik veel geleerd, dat wil zeggen rechtlijnig tekenen en metselverbanden enzovoorts.

We kregen dan tweemaal per week les en moesten dan de tekeningen thuis uitwerken. Alles bij petroleumlicht, want gas of elektrisch licht was er toen nog niet. Ik stond dan ’s avonds tot 11 uur of half twaalf thuis of op zolder als het niet al te koud was te tekenen. Deze afgewerkte tekeningen moesten dan weer ter goedkeuring aan de Heer de Beste worden voorgelegd en daarop kreeg men dan de nodige goed- of afkeuring of opmerkingen wat er aan mankeerde. Nog altijd heb ik deze tekeningen in mijn bezit en nog wel eens aardig on te bekijken. Dat is dus nu 52 Jaar geleden.

Helaas door te weinig belangstelling moest alras deze cursus worden opgegeven, daar een groot gedeelte van de vaklui er niet meer aan deden. Dit zijn vanzelf sprekend de beste vakmensen later niet geworden. Ik heb daar veel vakmensen leren kennen. Ze kwamen van Waarde, Rilland en Kruiningen en ook van Hansweert. O.a. heb ik daar leren kennen Piet Kriekaard (de latere man van Janna de Jong) welke nu nog vriendschap met ons onderhoudt daar zij een nicht van mijn latere Vrouw was. Hij is later Sluismeester geworden. Meer andere, van welke er al vele overleden zijn. Ook de oude heer Molhoek was op die cursus.

Zo als gezegd werd ze opgegeven, maar in Goes voortgezet. Ik ben toen een paar winters ’s avonds naar Goes geweest ter voortzetting van dit onderwijs. Hij woonde op de hoek van de Beestemarkt, daar waar nu de Drukkerij van Pieterse (vroeger Siepman) is. Op een grote bovenzaal stonden dan een rij tafels waarop wij onze tekenborden konden leggen. Hij had een zeer lief vrouwtje, waar wij dan thee van kregen. Helaas is ook zij zeer jong gestorven. Wij reisden dan op een Kilometerboekje per spoor, die toen in zwang waren aan de Staatsspoor. Bussen waren er niet en fietsen ook niet.

Toch zijn deze jaren voor mij genoegelijke tijden geweest, hoewel ik hard moest werken. Ik kreeg nogal eens wat te horen van de andere broers en zusters, maar dat zou niet veel jaren duren, want de landarbeid werd zeer slecht betaald en een timmerman verdiende wanneer hij een paar jaar op het vak geweest was altijd nog al wat meer. Zo schoot ik ze na een paar jaar alras voorbij, wat de inkomsten betrof. En ’s winters was het ook altijd vast, terwijl dat in de landbouw veel te wensen over liet.

Ik ben daar 4 volle jaren gebleven, tot ik zo wat af gestuurd was.

Maar ieder Jaar ging mijn weekloon met een flink bedrag naar boven.

Ik kom nu tot het jaar 1905, wat vel een jaar zou zijn, dat mij voor mijn hele leven zou bijblijven en een beslissing zou brengen, waaraan wij in latere jaren nog veel net elkaar over gesproken hebben. Later zal dit U duidelijk worden. In dit jaar werd Koningin Wilhelmina 25 jaar en dus zou

 

9

 

er vanzelf sprekend feest zijn. Wij werkten toen mede aan het ontwerpen van een erepoort op Oostzijde dorp, waarmee wij de eerste prijs behaalden. Maar op dat feest geraakte ik 's avonds in kennis met ons vroeger genoemd buurmeisje van Grootmoeder. Ik was toen 16 jaar en zij 15. Dat zou natuurlijk niet gaan. Beide nog veel te jong. Van haar moeders kant mocht dit helemaal niet en ik zelf moest nog veel te veel leren en verdiende nog zo wat niks.

Maar wat zij al op zo jonge leeftijd had gedacht zou dus onder Gods Voorzienig bestel uiteindelijk nog bewaarheid worden. Ronduit heb ik het haar toen gezegd, daar kan niets van komen. Voorlopig scheiden we dus van elkaar:

Ik houd jou wel in gedachten, zoals jij dat mij doet. Ik moest nog zeer veel leren en studeren, zodat ik geen gelegenheid had mij met meisjes in te laten. Wel ontmoetten wij elkaar nog wel eens in het publiek, zoals bijvoorbeeld op Zondagavond in de Zangschool. maar voor de rest bleef het daarbij.

Ja, dat zingen dat zat ons in het bloed. Bij mijn baas hadden ze een huisorgel, wat in die tijd een erge luxe was, maar daar hij organist was in de kerk had hij ook een huisorgel. We hadden zo af en toe een zangavondje aan huis, want ook zijn dochters konden alle goed zingen. Zo hebben we daar nog al eens een gezellige avond doorgebracht. Natuurlijk als het geen studieavond voor mij was. Wij komen nu aan het Rampjaar 1906.

Voor onze familie wel zeer in het bijzonder. Eerst kregen we op 12 maart de grote overstroming op ons eiland. Ik was toen bezig een tuinhekje te maken voor Johs. Neels op Gawege, nu meen ik C. v. Houte. Erg hard stormde het en wij zagen het water over de dijken heen spoelen. De dijken braken zodat de Karel-, de Olzende- en de Engelse polder onderliepen, (nu de Bathpolders). Mensenlevens waren er niet bij te betreuren, maar wel veel stoffelijke schaa. Schutbalken werden in de spoordoorgangen van de dijken gelegd, zodat de treinen niet meer konden rijden. We gaan hierop niet verder in. Er zijn ook beschrijvingen en boeken over verschenen, hoewel ze nog schaars te krijgen zijn. 's Woensdags daarop was het Biddag en toe zijn we wezen kijken evenals vele uit West Zuid-Beveland enz.

Ik ben daar heen geweest met Ko Schouten vader van Jan, en Ko Zweedijk, waarmee ik nog al bevriend was. Zij waren van dezelfde leeftijd als ik. Helaas is Ko Schouten al in 1940 gestorven door een droevig ongeval. Het was natuurlijk lopen, want fietsen waren er toen nog maar een hoogst enkele. Het was een ontzaggelijke ruïne langs de dijken. We hebben nog foto's in ons familiealbum daarvan.

Wij keren echter weer terug tot ons eigen familieleven;

Voor ons wel een zeer zware slag, daar op zaterdagmorgen om 4 uur onze lieve moeder overleed. Zij was toen nog slechts 40 jaar oud. Veel kommer en zorg was hier haar deel geweest en een slepende ziekte die zij jaren lang had gehad. Zij ging met volle bewustzijn de eeuwigheid in. Hoe goed herinner ik mij dat nog toen ik aan haar vroeg: Moeder, moeten wij niet eens voor je bidden? Haast niet zelf wetend wat ik vroeg, of dat we het wel gekund hadden.

Maar zij zeide: Bid voor jezelf, m'n jongen. Kijk zo iets blijft een mens z'n hele leven bij. Zo iets vergeet je nimmer. Hartontroerend en verscheurend, nog zo jong en dan uit het leven te moeten scheiden met zo veel onverzorgd achter laten. Het is wat, je Moeder, het dierbaarste pand hier op aarde te moeten missen. Zij had ons zo hartelijk lief. Een goede Moeder!

Wij weten nog goed hoe ze begraven is. Het was toen in die tijd begraven met een gewone boerenwagen met een witte huif er over. Marien de Jonge Senior deed zulks altijd. Hij zelf zat dan voorin op een bos stro. Wij gingen allen één voor één daar achter aan. Op het dorp

 

10

 

zetten ze de kist op een gewone berrie of draagbaar en deze werd dan door 8 of 10 man gedragen. Maar buiten dorp was zulks te ver. Ook was het dan in die tijd nog een gewoonte als iemand van de diakonie begraven werd, wat nog al eens voorviel en ze woonden dan buiten 't dorp, werd de wagen slechts door één paard getrokken. Dat moest heel de wereld dan zien, als zulk een familie arm was.

Wat een toestanden! Wij liepen er achter met een Rouwlamper in de linkerhand, dat was een soort zwarte sjaal, die om de hoed liep en dan met het andere eind in de hand werd vast gehouden. Wat een mode en tradities! Dominee Bokma leidde de begrafenis en behandelde een vers uit Psalm 31 welke hij ook geheel voorlas in het sterfhuis. Klokluiden deden ze ook niet of het moest zijn voor iemand die veel geld had en die daar dan voor moesten betalen.

Wij waren toetertijd bang als we voorbij het kerkhof moesten, en toen moesten wij er zelf op om onze lieve Moeder er heen te brengen. Zij is begraven tegen de kant van het hoekweidreefje, zowat half in het oude gedeelte van het kerkhof. Ik heb lang het nummer van het paaltje geweten, maar deze zijn in de loop der jaren weggedaan. Ik weet haar plaatsje nu niet meer precies. Zo hebben we haar achtergelaten en wij moesten weer het leven door. Zuster Sanne was toen slechts 15 jaar oud. Ik was 17 en Gerard was 19 en moest nog in dienst ook. Zuster Piete was getrouwd en Lena diende in Middelburg en Kèe was nimmer thuis opgekweekt, daar deze nog zo klein was toen haar Moeder stirf en is groot gebracht bij Francois Nieuwenhuize, de vrouw van Toon Kruisse haar Grootvader. Wij zaten in diepe verslagenheid terneder.

Broer Adriaan was toen 10 weken oud en is opgenomen in het gezin van Marinus van de Boomgaard en Antje Mus, z'n vrouw. Deze wilden graag een klein kind er bij hebben. Dat was Kees van de Boomgaard en Jaap d'r Vader en Moeder. Hij is daar 2 jaar geweest, want Vader wilde geen kinderen voor goed afstaan. De tijden werden toen veel beter. De overstroming bracht zeer veel werk mee. De lonen gingen stijgen en werkeloosheid bestond in die dagen niet. Ik heb in mijn 11-jarige timmermansloopbaan geen dag zonder werk geweest.

De Heere gaf dus weer uitkomst al was het soms wel eens moeilijk als een meisje van 15 jaar aan het hoofd van een gezin van 15 personen moet leiding geven.  Maar zo als reeds eerder opgemerkt hadden we uitstekende goede buren, die ons veel hebben geholpen. Maar ik heb veel getreurd over mijn lieve Moeder, daar ik zelf ook nog maar 17 jaar was en ik zielsveel van haar hield.

We komen nu aan het jaar 1907. We hebben toen hier in Zeeland een bezoek gehad van Hare Majesteit de Koningin met Prins Hendrik. Ik mocht toen met Gerard Breker mee naar Rilland daar ze hier als eerste station door de Commissaris der Koningin zou verwelkomd worden. In die tussentijd hadden we ook een fiets gekocht en op de fiets daar naar toe. Ik heb ze toen goed gezien.

Zij was toen 27 jaar oud. Maar op de terugreis hadden we pech. De voorvork van Gerard’s fiets breekt net bij de Drie haasjes en hij breekt zijn arm. Dat was een tegenvaller. Blij dat we de Koningin hadden gezien en nu zo thuis moeten komen. We hadden echter toen hier een goede dokter, namelijk Geill en die zette hem direct in. Een paar dagen met zijn arm in een doek en weer aan het werk. Hij heeft er geen letsel van overgehouden. Ik mocht toen de andere dag op kosten van de oude heer Breker met hem naar Goes en daar heb ik ze toen ook goed gezien. Alles ging toen vanzelf per rijtuig. Er reed toen een extra trein naar Goes, maar die kwam pas om 's nachts 1 uur in Krabbendijke aan. Ik moest dus geheel alleen ’s nachts naar huis. Was nog al een prestatie want er stonden toen aan de Oostweg nog geen huizen. Alleen de oude meestoof waar Willem Sonke z’n Vader en moeder woonden. Dan aan de ander zijde de hoeve de van Toon de Kok en voor de rest was alles bouwland. Lantaarns waren er ook niet. Trouwes die waren allang uit ook. Maar ik was nog al niet bang uitgevallen

in het donker. We waren dit zeer gewoon.

We komen nu aan het jaar 1908.

 

11

 

Ik was nu bijna 5 jaar bij Breker geweest en wilde ook wel eens wat meer van de wereld zien en ook hoe het bij een ander toeging. Met  zijn goedkeuring

ben ik dus weggegaan en wel niet zo heel ver de wereld in. Ik ben gegaan naar Waarde. Naar M. Allewijn, de vader van de tegenwoordige gebroeders Allewijn, die nog altijd Timmerman en Aannemer zijn op Waarde. Hij had toen zeer veel werk o.a. de herbouw van de schuur op Westhof, welke door de vloed van 1906 was weggespoeld. De nieuwe Nederlands Hervormde Kerk op

Bieselinge veel huizenbouw van van der Hart enz. aan de Plattendijk en van M. Wissse in Henegouwen, welk laatste door de vloed van 1953 weer is weggespoeld.

Hij was getrouwd net Aaltje Overbeeke, en dat was een zeer best mens. Hij zelf was een zeer stugge baas en (ik) vond aan hem niets. Gelukkig dat ik mijn vak al aardig onder de knie had, zodat ik weinig last met hem had. Ik ging dan 's middags koffie drinken bij Marien van Espen en Geertrui van Houte welke kinderen en zij hadden er nog al wat ik daar alle heb leren kennen, ze hebben jarenlang vriendschap met ons onderhouden, maar zijn allen allang overleden.

Aan de schuur in de Bathpolder heb ik veel gewerkt. Deze is in de oorlog van 1940 afgebrand wegens oorlogsgeweld. Ook de kerkbanken uit de Hervormde Kerk van Biezelinge heb ik gemaakt op de winkel. Ik hoefde echter niet naar Biezelinge toe. Wat ik natuurlijk wel goed vond.

Ik ben daar gebleven tot eind van de zomer, toen de grootste drukte weer wat over was en intussen waren de drie schuren met woonhuizen in de Valkenissepolder en Emanuelpolder: te weten "Eureka", "Emanuelhoeve" en "’t Hof Trio" aanbesteed. Een zekere caféhouder van Hansweert Knuijt had die aangenomen. In die tijd ging dat nog al gemakkelijk. Een ander liet men het maar uitrekenen

en men schreef maar in.

Ik heb daar de hele winter gewerkt en goed geld verdiend, daar we nog al veel onderhands werk konden aannemen. Voor die tijd was dat een hele onderneming, maar zodoende kwam men ver boven het gewone loon uit. Was 's avonds nog al eens laat werken. Natuurlijk met een petroleumlamp, die je zelf moest aanschaffen. Dat was dan een blikke lamp. Ik kwam dan bij winterdag gelopen van uit Valckenisse door het paadje zo naar de dijk, voor bij de Zuidschans naar huis. Om half 8 was ik dan thuis en dan natuurlijk nog eten. Want 's middags kwam ik niet naar huis. Dat was te ver. Op die hofstede van Dees was de Heer Adriaan Weststrate, de latere Schoonvader van Kees en Pie toen opperknecht. In die tijd hadden de boeren soms 3 of wel 4 paardeknechts en de eerste was dan de opperknecht. Het jaar daarop, naar ik meen in 1909, is hij toen voor zijn eigen de zaak begonnen van kopen van landbouwproducten enz.

In dit jaar 1908 moest ik in de maand September loten voor de militaire dienst. Wij waren met 19 man. Eigenlijk waren we met z’n 20en geweest, maar in het voorjaar was er een verdronken, namelijk Piet Butijn, een broer van Leen en Toon Butijn. Hij werkte aan de dijkherstelling in de Bathpolder en zou ’s avonds na zijn werk nog even gaan zwemmen, maar komt ongelukkiger wijze in een agt (WES- gat) terecht welke daar veel waren met die dijkverzwaring.

Deze loting geschiedde toen op het Gemeentehuis. De Burgemeester trok dan een nummer uit een fles, waarin natuurlijk net zo veel loten lagen opgerold als er lotelingen waren. Het ging altijd alfabetisch, zodat ik een van de laatste was en dan werd elke keer het nummer hard afgeroepen. Als je dan zo ongeveer de laatste bent kun je uitrekenen welke nummers er nog inzaten. Nu was het in die tijd de gewoonte dat een derde van de lotelingen in dienst moest. Maar daar kwamen dan bij die Broederdienst hadden en die afgekeurd werden. Nu was die lichting waar ik toen bij was een zeer slechte. Veel ongelukkigen en veel met broederdienst. Die kwamen dus niet in aanmerking. Ik moest dus wel een hoog nummer trekken om vrij te zijn.

Nou dat was voor elkaar ook. Nummer 17 bleef liggen en was voor mij. Ik hoefde dus niet te twijfelen en was er uit. Zeer tot blijdschap vanzelf van Pietje Snoep, die vanzelfsprekend er ook direct bij was, toen ik uit ’t Gemeentehuis kwam.

 

12

 

Nou, de zogenaamde Lootjesdag was toen niet mals. Dat ging met al de lotelingen in optocht, op soms een heel enkele na, door ’t dorp en velen waren dan ook zulk een dag stomdronken. Ik was echter erg afkerig van zulk een gedoe en vooral van drank. Eerstens verbood mij mijn geweten in deze en ten tweede kon ik er niet tegen ook. Ik heb me die dag dan ook gelukkig goed kunnen houden en ging ’s avonds normaal naar huis. Veel geld heeft me alzo die dag niet gekost dan alleen verlet van het werken, want doorbetalen zo als nu het geval was, dat bestond toen niet.

1909 :

In dit voorjaar ben ik na afloop van het bouwen dezer schuren naar de Gebroeders van Doorn gegaan, welke toen veel werk hadden daar zij al de schuurtjes en woonhuizen moesten zetten op Gawege voor de Familie Weststrate en Quist, daar waar nu Jan en Willem en gebroeders Weststrate wonen en M. Franje, dat was dus voor zijn vader. Ik heb daar ook genoegelijk gewerkt. Waren beste lui om voor te werken en goed te verdienen. In de nazomer toen alles weer zo wat gereed was ben ik nog een paar maanden terug geweest bij Breker, die alstoen ook weer erg druk zat. Toch beviel het mij niet zo goed meer, daar ik ook wel wat verder op wilde. Maar de winter ben ik er nog gebleven.

In dit jaar met Dankdag zijn we voor goed aan elkaar gekomen met onze latere lieve vrouw. Ik was nu zo wat uitgestudeerd en had nu 's avonds meer vrij en zo veel niet meer te leren ook. Mijn vak was ik nu wel voldoende meester en had het volle loon.

Wij hadden elkaar opgezocht en er waren niet veel moeilijkheden te overwinnen. Van tevoren was ik daar wel op berekend. Zij was nog wel eens met een ander op stap geweest, maar later bekende ze dat zo dikwijls dat ze er geen zier mee ophad, en omdat ik nooit of zelden op 't dorp kwam omdat ik teveel moest leren kon zij vanzelf niet altijd daar op wachten en waren er nog andere die haar op hol wilden brengen. Het was echter altijd tevergeefs en zo heeft ze er geheel mee gebroken.

Wij waren het al direct eens met elkaar en zij liet al haar vrienden in de steek en ook haar vriendinnen. Terwijl ik van mijn kant ook zulks deed. Ik heb al dadelijk kennis gemaakt met haar Moeder, die volledige toestemming gaf en ook veel van mij hield. Later bij haar vele sukkelen heb ik ook haar steeds met liefde geholpen, waarvoor zij altijd zeer dankbaar was.

Wat zij dus als kind reeds als toezegging had gekregen was dus nu werkelijkheid geworden; we zien hierin duidelijk Gods hand, gelijk het Huwelijksformulier ons zegt, dat Hij ze als Zijn hand samenbrengt.

Bij ons is dat wel zeer duidelijk uitgekomen. Zij was nog al eens af gedwaald en met andere vrijers op stap geweest, maar ik had het haar altijd gezegd: ik kan me zolang ik leren moet niet met meisjes bezig houden. Naar haar Moeder d'r zin was het ook niet dat ze zich met andere jongens ophield en zij heeft het later met tranen bekend. Ik kon niet van je af en ik kon je niet vergeten. Welnu zo zijn we dan bij elkaar gebracht en zijn nimmermeer van elkaar gescheiden ook.

We hebben een zeer gelukkige verkeringstijd gehad, daar zij zielsveel van mij en ik van haar hield. Het hoort in het huwelijksleven wel zo, maar wij hebben dat in ons leven helaas wel eens anders gezien. Wij konden elkaar in alles altijd en in liefde verdragen en kwam er wel eens een wolk voor de zon, dan weende zij het dagen daarna nog voor mij uit. En dat was dan werkelijk zeer hartelijk en gemeend. Natuur des mensen valt niet makkelijk te buigen, maar wanneer men elkaar verstaan wil, en in liefde alles te samen torst dan kan er veel gebeuren en geeft de Heere er zijn zegen op. We zullen dat later kennelijk ondervinden. Ik liet ze dan altijd maar stilletjes uitwenen, terwijl zij geen woorden kon vinden om alles weer goed te maken. Nu was zij altijd nog al zeer gemakkelijk om te praten en vooral haar familie, die later door een sterke jaloezie en afgunst waren aangedaan bracht wel eens moeilijkheden. Maar dit ook hebben we te samen goed weten op te lossen en later nooit geen last meer van gehad.

In datzelfde najaar heb ik ook tezamen met de heer Breker en zijn zoon Gerard

 

13

 

met nog andere mensen o.a. Ko Jacobusse en Jaapje Lobbezoo een Mannenkoor ongericht. Ik was bestuurslid en Gerard breker was directeur. Nou we konden al gauw heel goed zingen, want er varen uitstekende zangers bij. De naam zou van de Vereniging zijn "Hosanna". Later is ze teniet gegaan, wegens gebrek aan belangstelling en vooral doordat er geen goede leiding meer was. We hebben nog eens op een Kerstdag uitvoering in de Kerk gegeven waarbij veel belangstelling was. Het Programma daarvan is nog in mijn bezit. Wel aardig om dat nog eens te zien.

In dit najaar gingen we beiden ook op de belijdeniscatechisatie, daar we van plan waren volgend jaar belijdenis des geloofs af te leggen. Ik was daar voorzanger in die catechisatie bij Dominee Bokma en mocht dan altijd het vers uitkiezen wat we bij aanvang en einde zouden zingen. Het was in dit najaar dat de beroemde planeet of staartster de Komeet van Halley te zien was avond bij avond. We hadden op die avond zo lang van dit machtig schouwspel dier ster genoten, dat we te laat in de catechisatie kwamen. Nu was dominee Bokma geen gemakkelijk heer en kwaad dat hij was omdat we te laat kwamen. Ik moest natuurlijk weer een vers opgeven en liet toen zingen Psalm 19 vers 1:

Het ruime hemelrond

vertelt met blijden mond

Gods eer en heerlijkheid.

De held're lucht en ’t zwerk

Verkondigen Zijn werk

en prijzen Zijn beleid.

Dus kan os dag bij dag,

tot roem van Gods gezag

Zijn wonderen verhalen.

Dus weet ons nacht bij nacht,

Zijn onbegrensde macht

en Wijsheid af te malen.

Ik had dit gebaseerd op het werk Gods in de natuur. Hij begreep dit vanzelf dadelijk en het ijs was gebroken. Hij had er zelf natuurlijk ook naar gekeken.

Dat zijn van die voorvallen in een mensen leven wat niet licht wordt vergeten. In het voorjaar van 1910 hebben we toen belijdenis gedaan. Zodoende zijn we dus aan dit jaar toegekomen. In april op de 28ste dier maand werd Pietje 20 jaar. Ik werkte toen in Vlissingen, waar ik naar toe was gegaan in het begin des Jaars. Zij kreeg toen van mij twee grote lijsten met reproducties van berglandschappen. We hebben deze jaren in huis gehad, maar deze zijn in de loop der jaren weggedaan als nu vanzelf niet meer passend. Voor die tijd was zo iets geweldigs, blij dat ze daarmee was. Laat zich gemakkelijk begrijpen.

In Vlissingen heb ik gewerkt aan de grote uitbreiding dier stad. Er werd toen aan de Singel een heel complex van nieuwe huizen gebouwd. Het waren er 100 en het was een aannemer uit Dordrecht. Ik verdiende daar toen 4 à 5 cent per uur meer dan op Krabbendijke en vanzelf 70 uur per week werken. Ik lag bij zuster Lena in de kost en kwam zaterdags naar huis. Kostgeld was toen niet zo veel.

Ook kwam Pietje in de week wel eens een dagje naar Vlissingen. Was dan vanzelf erg gezellig. Ik ben daar gebleven tot eind 1911, de zeer warme zomer, toen ook de Sint Jacobstoren in die zomer is afgebrand. Wij moesten allemaal direct gaan helpen en juist toen we er bij kwamen stortte de toren met donderend geraas op de kerk. Het was de beroemde toren waarop Michiel de Ruyter had gezeten. Een ongeluk van een loodgieter met zijn lamp verwoestte in een ogenblik dit historisch monument. Foto’s hiervan zijn in ons album te bezichtigen.

Ik ben bij Lena niet gebleven tot het einde dat ik daar werkte. Zij had namelijk niet zo een erge plezierige man en die erg, zeer erg jaloers was en ook veel uitging. Ik kwam daartegen nog al eens op. Zo heb ik hem op een zondagnacht om één uur nog eens wezen halen. Was vanzelf niet naar zijn zin. Zo doende ben ik er eindelijk maar weggegaan en kreeg

 

14

 

een ander prima kosthuis. Ik wilde verdere onaangenaamheden voorkomen, te meer omdat het een zuster van mij was, die ik veel beklaagde en heb zelfs dikwijls gebeden dat de Heere er mij toch voor behoeden wilde om zulk een huwelijksleven te leiden. Echter ook deze huizen raakten weer klaar en ben ik nog een paar weken werkzaam geweest aan het Ziekenhuis Sint Jozef, dat in die tijd aldaar gebouwd is.

1912.

In Bergen op Zoom zou deze zomer een grote Landbouwtentoonstelling worden gehouden, waarvoor vele houten gebouwen moesten worden gezet en zeer hoge lonen werden betaald. Ik ben daar heen gegaan en voor 6 of 7 weken. Ik heb daar voor die tijd althans grof geld verdiend. Was maar ruw werk, maar toch erg interessant. Was dan ook later een pracht tentoonstelling.

In de winter van dit jaar was Dominee Bokma gestorven en die pastorie was dus leeg. Alles wat hij bezat, daar hij nooit getrouwd was geweest werd verkocht. Ook heel zijn bibliotheek. Wat weet ik dit nog goed dat juist op die dag toen het verkoping was een totale Zonsverduistering plaats had, zoals ik er later nimmermeer één heb gezien. De kippen gingen overal op stok en de sterren waren aan de hemel te zien op de middag en was het juist zulk een mooi weer.

In ieder geval die pastorie kwam leeg en ze zouden een ander predikant gaan beroepen, maar de pastorie moest geheel vernieuw worden en dit werd gegund aan de heer C. van Boven, die zijn timmerwinkel achter de vroegere woning van Grootmoeder had. Deze vroeg mij of ik hem helpen wilde daar hij zelf met zijn broer Toon zeer oude mensen waren. Ik werd daar goed geld geboden en nam dat aan, temeer daar hij mij in uitzicht stelde om veel werk aan te nemen onderhands van hem. Daar kwam nog bij dat er veel mooi werk bij was, o.a. een wenteltrap, die thans nog in die pastorie staat. Want het was in die tijd zo, dat alles handwerk was, terwijl zulks tegenwoordig alle het mooie werk van de fabrieken komt. Hier kwam mijn vroegere studie van tekenlessen goed te pas. Ik heb vrijwel alleen heel die pastorie uitgetimmerd. Juist ook in die tijd ben ik er nog een dag uit gemoeten, daar de schuur van Adr. Blok in het Slikgat afbrandde en ik toen pijpleider was aan de Brandweer. Daar ben ik ook 20 jaar aan geweest.

Toen die pastorie klaar was is Dominee F.M. Muller hier beroepen, die toentertijd op Heinkenszand stond. Hij nam dat beroep aan en hij was ook ongehuwd en leefde met zijn moeder en zuster samen. Later zullen we deze nog wel eens ontmoeten, want hij was een echte vriendelijke en aangename man, hoewel zijn preken, al was hij dan ook dominészoon ook maar van de lichte kant waren, hoewel beter dan zijn voorganger Dominee Bokma.

Daarna heeft de Heer van Boven de schuren moeten afbreken welke in de polder Valckenisse stonden, waarop de Heer Bal, de latere burgemeester van Waarde, woonde. Dit was een hofstede waarop vroeger voor de bouw van de drie reeds eerder genoemde schuren, alstoen alles uit de beide polders werd opgezameld, dus nu veel te groot en ook versleten. Uit die schuren moest dan een schuur gebouwd worden, zoals deze er nog staat en waarop nu de Heer Willem van Nieuwenhuijze woont. Daar deze niet aanbesteed werden en de heer van Boven daar altijd timmerman op was geweest, kreeg hij de opdracht om dit werk uit te voeren. Ik kon direct al het timmerwerk van hem aannemen. Dit was vanzelf voor mij een groot werk, waarbij ik zelf knechts moest aannemen. Dit is gelukt en zodoende had ik daaraan een zeer goede karwei.

Ik hield in die zomer ongeveer 120 gulden buiten mijn gewone loon over, wat mij zeer te pas zou komen inzake mijn latere trouwplannen. Ik moest daarvoor gaan sparen en dat was dus een buitenkansje. Ik had in Vlissingen tijdens mijn verblijf aldaar een Spaarbankboekje genomen en dit er natuurlijk dadelijk er bij. Ik moest dit niet aan Vader afgeven en voor mezelf behouden. Ook zij spaarde hard om zo de Heere zulks wilde wanneer de tijd zou aanbreken dat we in het huwelijk zouden treden we alsdan een goede spaarpot zouden hebben, wat bij

 

15

 

het overgrote deel in die tijd veel te wensen overliet. Zo eens een keer per jaar gingen we met de Zangschool op reis, waar we samen in waren of anders gingen we samen of met Gerard en Geerte, zijn latere vrouw. Wanneer er een feestdag was dan gingen velen de hele dag uit of dansen en daar ik van zulke dingen altijd een afkeer had en zij het ook niet graag deed, waren we op zulke dagen ook niet veel geld kwijt en deden we met de menigte niet aan deze dingen mee. Ik vertelde ze al gauw toen we met elkaar gingen verkeren

dat ik als ik ’s avonds thuis kwam en aan deze dingen meedeed mijn geweten me aanklaagde en ik dan daarvan niet kon slapen. Gelukkig was ook zij van dezelfde gedachte. Dit nu niet dat we zo veel beter als andere mensen waren, maar aan zulke uitspattingen had ik een hekel en zij ook. In dezen konden we elkaar zeer goed verstaan. We waren liefst maar alleen, hoéwel ons dat nog al eens kwalijk werd genomen. Toch hebben we daar op later leven nooit geen spijt van gehad. Zoals reeds eerder gemeld had ik als vrienden Ko Schouten, de vader van Jan, die nu met Lies van Velzen gehuwd is, die toen verkeerde met Marina Meeuwsen, zijn latere vrouw, maar die al in 1912 meen ik getrouwd is. En dan Ko Zweedijk, die nog leeft, maar ook thans ver versleten is die met zijn vrouw Siene Joossen toen ook nog jong waren. Zij waren ook niet van de grofste, maar ik had nog al invloed op hen zodat ze zich nooit aan bijzondere uitspattingen te buiten gingen.

Als jongen was ik indertijd altijd nog al leergierig en stak om plat te zeggen nog al graag overal mijn neus in. Zo ook naar andere kerken gaan en als er eens een andere dominee in de een of andere kerk preekte ging ik ook daar mijn licht eens opsteken. Zo heb ik als jongen ook nogal eens Dominee Boone gehoord die toen oefenaar was en woonde daar waar nu de Groentezaak van Ko Traas is.

Hij preekte dan in het oude gereformeerde kerkje, dat in 1911 is afgebroken en stond waar nu nog het pakhuis is van G. Houtekamer.

De oude kerk dus, daar in 1930 de kerk aan de Zuidweg is gebouwd. En als er dan ’s avonds des Zondags een dominee preekte in het Gereformeerde Kerkje aan de Dorpsstraat, daar waar nu de zaak is van de Heer A. de Goffau, ging ik daar ook altijd naar toe; Dominee de Koning heb ik meerdere malen horen preken. Deze woonde toen in de oude pastorie, daar waar nu de het Cafetaria van Flipse is. Ik had toen nog niet zoveel kennis des onderscheids, maar hoorde toch goed dat er wat met een mens moet gebeuren en dat men niet kon sterven zoals men geboren is. In die beide kerken kon men dat toentertijd vernemen, wat wij misten in de Hervormde Kerk.

Want de prediking in die gereformeerde Kerk was zo toen zo geheel anders dan nu.

Ze hielden ook driemaal per zondag kerk en trof men dan zondagsavonds ook nog wel gezelschappen aan, die de preek van die dag bespraken en overdachten. Ook bij Grootmoeder trof men dikwijls zulke gezelschappen aan, voor ze naar Amerika zijn vertrokken. Ik heb in mijn latere leven nooit geen spijt gehad zulke dingen te onderzoeken. Niet dat het een mens zalig maakt, maar de invloed die daarvan uitging is nooit genoeg te waarderen. Later zou ik dat ondervinden en de smader kunnen antwoorden.

Ik keer nu echter weer terug tot onze gewone levensloop. Na afloop der werkzaamheden aan de schuur in Valckenisse, ben ik in de daarop volgende winter gegaan naar Yerseke. Daar moest een pastorie gebouwd worden voor Dominee Keraten aan de Grindweg, dezelfde nog waar nu Dominee P. Honkoop woont. Een aannemer uit Rotterdam zekere Vermeiden had deze aangenomen en ik kon daar direct komen. Er waren nog twee timmermans, namelijk Adr. Poelman en Leunis Steketee.

De eerste kwam van Wemeldinge en de andere was van Yerseke. Poelman woont nog in Ritthem, waar ik later nog op terug kom. Steketee woont nog altijd op Yerseke. Ik lag toen in de kost bij Frans Waverijn, met z’n vrouw Maatje Meyer, die toen woonden in de Kerkhoekstraat. Waren zeer beste mensen, hij was ook  timmerman, maar had meer armoede dan weelde. Weinig werk en hij  paste slecht op, liep veel naar andere vrouwen en was bovendien nog aan de drank. Maar toch ontzettend goed van karakter. Zijn vrouw was de goedheid zelf en liet hem altijd maar dóen. Wat heb ik me soms met medelijden tot

 

16

 

haar gewend, daar ik graag met haar praten mocht. Ook praatte ik met haar graag over het Godsdienstig leven, daar zij een bekeerde Vader en Moeder had gehad. Haar moeder was indertijd vermoord op een Zondagmiddag. Die woonden toen in "Zoute" welk huisje daar thans nog staat. Zij kon dat alles zo mooi en hartelijk vertellen en ook over haar vader en moeder. Zij had nog een oude tante in huis ook, die nimmer gehuwd was geweest, maar waarvan ik toch stellig geloven mag dat ook zij een van God bekeerd vrouwtje was. Zij kon innig over haar innerlijke gesteldheid babbelen en ik hoorde ze graag. Haar Broer Willen Meyer was ouderling bij Dominee Kersten. Zij hadden maar één kind, namelijk Jan, die nu nog Ouderling is bij de Gereformeerde Gemeenten in Nederland, groep Steenblok. Hij was toen een jaar of tien.

Vele jaren later heb ik ze nog wel eens opgezocht, alsmede ook Frans, haar man, die toen echter later zijn leven veel heeft gebeterd en trouw met haar mee ter kerk ging. Beiden zijn ze al vele jaren overleden. Tijdens haar langdurige ziekte zijn we ze nog al eens op wezen zoeken als we in Yerseke kwamen. Ik ging dan ’s Woensdagsavonds ook met hen mee naar Dominee Kersten, die toen altijd ’s woensdagsavonds Bijbellezing hield. Was natuurlijk erg naar haar zin, daar ik toen nog tot de hervormde Kerk behoorde.

Het was in die winter zeer streng koud, zodat het water in de Slangen van de Brandweer bevroor. Het is toen namelijk gebeurd op een nacht om 12 uur, dat die grote zware klok begon te luiden en er brand was uitgebroken op een hofstee die daar maar kort in de buurt stond, daar waar nu zo ongeveer het kantoor staat van de Firma Baaij, boekhouders. Wij moesten daar ook naar toe om te helpen maar stonden daar machteloos, vooral omdat het water bevroor. Er is toen nog al veel vee in die schuur verbrand, We hebben daar de verkoolde koebeesten naast elkaar in de afgebrande stal zien liggen. De schuur was van een zekere Verbeek een Roomse boer. Oorzaak was vermoedelijk het omvallen van een petroleumlamp.

Wij hebben daar op Yerseke nog samen gewerkt met een opperman zekere van Dalsen, waarvan ik nog een mooi gedicht heb, dat hij ons heeft geschreven, toen we later ondertrouwd waren. Of de man nog leeft, ik geloof het niet, hoewel hij nog weinig ouder was dan ik.

Zo komen we dan aan het jaar 1913.   

Ik kon nog al goed opschieten met Poelman en hij wilde voor zich zelf gaan beginnen, daar hij ook trouwplannen had. Hij verkeerde met Kee Ruissen, ook afkomstig van Wemeldinge. Zij was een zuster van de vrouw van Marien Pieper, Arjaantje, welke in de oorlogsdagen van 1944 op een schrikkelijke wijze om het leven is gekomen.

In ieder geval ik begon het knecht spelen ook zachtjes aan moe te worden en voelde er ook wel wat voor. Doch na lang wikken en wegen wilde ik wel eens een karwei met hem samen doen, maar een zaak beginnen met 2 gezinnen daar uit leven voelde ik niet veel voor. Echter terwijl wij beiden nog ongehuwd waren zouden we dan nog wel wat samen kunnen doen.

Er kwam toen een mooie gelegenheid op Krabbendijke, het huis voor de Heer Jacs. Verlare, die op de hofstede woonde daar waar nu Arie Visser woont, en deze ging verlaten om stil te gaan leven, te rentenieren. Het is de woning waar nu de heer Willem Sonke in woont, voorheen de Boerenleenbank. Dat was een prachtige gelegenheid. In die tijd mocht je toch doen en laten wat je wilde. Wij vroegen aan de architect de Heer de Clerq van Kruiningen een bestek met tekeningen aan en wij aan het rekenen. Geen een aannemer die daar naar deed wist van die hele situatie niks af. De dag van inschrijving breekt aan en we kwamen ook opdagen, maar ze dachten dat zijn maar knechts, die komen zeker om er aan te werken als één of andere aannemer dit had. Ze hadden er een goede som gelds opgezet, zogenaamde strijkgeld, en waren op ons niet berekend. Bij het openmaken der briefjes bleek dat wij de laagste waren voor een som van 5500 gulden. Dat was natuurlijk voor die aannemers een strop. Nu hadden ze niets en ook het werk niet. We werden het werk gegund, daar de heer de Clerq ons kende.

We hebben daar een goede karwei aan gehad, wel niet zo grof aan verdiend, maar

 

17

 

het was voor ons een reclame-object. Trouwens dit huis was voor die dagen geheel iets nieuws, temeer daar dit het eerste huis op Krabbendijke was, daar gewapende betonfunderingen onder zitten. Ook de afwerking was geheel iets bijzonders, zodat we een pluimpje daarmee moesten halen. Wat dan ook gebeurd is ook, zeer tot tevredenheid van de besteder en architect. Ook de Heer Sonke is er nog trots op dat hij zulk een afgewerkt huis bezit. Enkele jaren geleden moest ik met hem nog eens overal kijken. Nou het is nog weinig veranderd, alleen is er later een soort wachtkamer ingebouwd, die nu ook al geen dienst meer doet.

In de zomer was het echter klaar en Poelman wilde al maar dat we samen een zaak zouden kopen, die in die tijd wel te koop waren. Maar ik had zoals gezegd daar geen zin in. We zijn toen nog al eens op aanbestedingen geweest maar het ging niet.

We zijn nog eens naar een zaak op Kapelle geweest, waar toen een zekere van 't Veer in woonde. Maar een gans verlopen zaak. Voelde daar niks voor.

Toen zijn we samen geweest naar Ritthem, maar hij had daar veel zin in. Deze zaak werkte veel voor de Polder Walcheren, maar dan ook uitsluitend grot waterwerk. Het stond mij niet aan. Gods weg zou met ons anders wezen. Zal later blijken. Hij heeft toen die zaak alleen gekocht en hij woont daar nog in met zijn vrouw. Hij is er gelukkig geweest en leeft nu ook stil.

Wij hebben daar nimmer spijt van gehad. Wel ook hebben we moeilijke tijden meegemaakt, maar dat heeft hij ook. Zo zien we ook hier weer dat de Heere alles stuurt en regelt en de mens er geheel buiten komt te staan.

Intussen kwam er nog een groot werk hier op Krabbendijke namelijk een geheel nieuwe Hervormde Kerk. We zouden daar dan nog eens op inschrijven. De Heer Breker vroeg ons echter om in dit geval samen in te schrijven omdat dit werk in geval hij zulks zou hebben veel te groot zou zijn. We zijn daarop ingegaan en gemeenschappelijk ingeschreven. We stonden echter iets te hoog en de Heer Panny was de laagste inschrijver aan wie ook het werk is gegund en die dan ook de kerk heeft gebouwd.

Ik heb toen in die zomer eens een hele week vakantie genomen, iets wat ik in geen 10 jaar gehad had.

Ik ben toen samen met Pietje op stap geweest naar het Land van Altena, naar onze familie aldaar, die daar erg op waren gesteld. We hebben daar een zeer genoegelijke vakantie doorgebracht. Per trein naar Gorkum en toen met de boot van Heusden naar Andel. Jaren nadien hebben we nog over dat reisje gesproken en de aangename ontvangst bij die families die toch erg gul en gastvrij waren. We zijn toen per fiets het hele land daar door geweest met Gerrit van Dulst en zijn latere vrouw Marie van Tilburgh, welke laatste al vele jaren overleden is. Gerrit leeft nog, hoewel wij hem in geen jaren meer ontmoet hebben.

1914:

Dit jaar zou voor ons een jaar worden met onvergetelijke en heugelijke tijden, niet alleen in ons persoonlijk leven, maar ook in het wereldgebeuren. Mijn werkzaamheden waren ver ten einde. Ik had nu bijna 11 jaren voor Vader gewerkt. Ik zei hem dus dat ik nu eens de tijd er voor wou gaan nemen om eens wat voor me eigen te gaan zoeken, daar zulks niet mogelijk was om dit te doen terwijl men overdag altijd moet werken.

We hadden met Nieuwjaar onze trouwplannen bekend gemaakt, wat toen in die tijd de gewoonte was, wanneer men in dit jaar ging trouwen.

Ik was niet van zins om knecht te blijven, dus dapper zoeken om wat vast te krijgen voor ons zelf. Wat is echter het geval? Geheel anders dan we gedacht hadden, maar in Januari van dit jaar kwam de zaak van de heer van der Jagt

 

18

 

te koop, welke hij zelf aanbood. Dat was de winkel, waarin thans nog onze zaak gevestigd is. Hij was een gepensioneerd marechaussee, wat hij slechts enkele jaren geweest is, daar hij afgekeurd werd. Hij had een pensioentje van 7 gulden per week en woonde met zijn vrouw, had geen kinderen, zo ongeveer 15 jaar in die zaak.

Zoals reeds eerder gezegd was het een gewoon woonhuis met voor- en achterkamer en bedsteden in het midden. In 1903 had van der Jagt een winkelpui er in laten zetten. Hieraan heb ik toen zelf nog gewerkt. Ook de winkelbetimmering van binnen heb ik aan helpen brengen. Hij noemde zichzelf boekhandelaar, maar er was in heel de winkel geen boekje te vinden, wel wat Notitieboekjes, wat flesjes inkt en potloden, kortom zo een beetje kantoorboekhandel. Verder verkocht hij Kruidenierswaren, Glas- en Aardewerk, Tabak en Sigaren, had een rijwielhandel enz. enz. zo iets als een kleine bazar. Maar het was een verlopen zaak, daar hij noch zijn vrouw erg beminnelijk waren voor het publiek. Hij wilde dus van zijn zaak af. Nu was het zo dat ze bij de familie Snoep daar al jaren zo schuin op hadden gekeken, zodat ze wisten wat er om ging.

Nou dat was dus niet zo aanlokkelijk. Veel medewerking van die zijde had ik dan ook toen nog niet. Toch zag ik er wel wat in. Hij gaf mij direct inzage van boeken en bescheiden en dat viel werkelijk niet tegen. Hij had daar erg goed geboerd, zouden we zeggen, daar hij een heel pand huizen in Ginneken had gekocht, waar hij van zins was na de verkoop naar toe te gaan.

Ik redeneerde bij mezelf, we zijn beide nog jong, die boekhandel kan alvast wat opgewerkt worden, en daar kwam nog bij ik was van plan te blijven timmeren, zodat ik toch allicht zoveel daarmee kon verdienen als hij aan pensioen genoot. Na lang wikken en wegen en praten kwamen we overeen een voorlopig koopcontract te sluiten. Ik kon dan altijd nog terug, indien ik het niet aandurfde. Hij was in dezen nog al gemoedelijk.

Maar nu kwam voor mij de grootste moeilijkheid hoe kom ik aan het geld?

Ik had wel wat overgespaard en zij ook. Maar we moesten toch huishouden en aankleding van het huis (en dat was toen in die tijd groot) ook kunnen betalen. Op krediet kopen, zoals toen ook maar al teveel gedaan werd, wilden wij niet. De koopsom moest 5000 gulden bedragen en nog 800 gulden voor inventaris. Een som alstoen geweldig. Maar ik op de baan. Naar Notaris Schram van Kruiningen, die ik goed kende. Dit was de voorganger van Notaris van Dijke. Direct bood hij een eerste hypotheek aan van 3500 gulden. Moest wel een paar borgen opzoeken, maar dat ging wel.

Alleen zat ik nog met het restant, want voor de onkosten kon ikzelf wel instaan, die ook nog zo weinig niet waren. Evenwel ik kreeg het van een zeer goede vriendin en zouden dan trachten zo gauw mogelijk in te lossen. Er waren in die tijd erg veel gegoede mensen op Krabbendijke, maar die gaven hun geld liever aan Rusland, daar zijn ze dan later ook goed mee uitgekomen want toen in Rusland de Sovjets aan het bewind zijn gekomen hebben ze door al de vroegere schuld een streep gehaald en die mensen waren hun geld kwijt. Het heeft er vele nabij de wanhoop gebracht. Maar goed, wij waren daarmee niet gebaat.

In ieder geval wij kwamen klaar en op 14 maart 1914 werd de koopacte gepasseerd en stond de zaak op mijn naam. Wij nu maar trachten door hard werken de zaak zo spoedig mogelijk eigen te krijgen. Er zouden echter toch later nog vele moeilijkheden voordoen. Dit kwam al twee jaar nadien uit toen het geld van Schram, dat was gegeven door een zekere Dokter Kolff van Oosterwijk, arts te Kruiningen en deze kwam te overlijden en de erfgenamen het geld opvroegen.

Toch kwam het weer voor elkaar door tussenkomst van een zekere heer Fossen, die op Kapelle woonde en zo iets als Makelaar was. Hij was een strikt eerlijk mannetje en hij bracht het vlug voor elkaar. Wij waren dus weer gered, hoewel het ons weer 160 gulden kostte van hypotheek-overschrijving.

Al met al dus voor ons een tegenslag, maar het kwam weer in orde.

We keren nu weer terug tot de verkoop van het huis met de zaak. De heer van der Jagt kon begin april verhuizen naar Ginneken, daar zijn woning aldaar

 

19

 

dan gereed zou zijn. Wij zouden ons dan in die tijd gereed maken de zaak te betrekken en hadden het vanzelf toen erg druk. Trouwen en het huishouden in orde brengen en ook nog in de zaak leren de mensen te helpen en om er zo goed mogelijk in te werken. Want als van der Jagt met april wegging moesten wij de zaak alleen drijven.

Nou we zagen daar geen van beiden tegenop en zeiden nog al eens tegen elkaar: we zullen blij zijn als ze weg zijn, dan hebben we onze handen vrij en doen we wat wij willen. Want hij was nog al een eigenwijze baas, die dacht dat hij alleen het maar wist. Daar kwam nog bij dat we allebei zeer blij waren zulk een mooi huis te krijgen. Bij ons in de Meiboom was het al niet zo ruim en het huis waarin Pietje met haar broers en Moeder woonden was oud en versleten. Toch heeft het er nog ruim 35 jaar langer gestaan, want Hein Tramper heeft het over enkele jaren nog maar pas afgebroken. Het was echter ook geen cent meer waard.

Het was dus voor ons beiden een grote verbetering en wij gingen een zeer gewichtige stap tegemoet. We waren beiden zeer blij en hadden goede moed dat we het met Gods hulp best klaar spelen zouden. We zijn in het vroege  voorjaar naar Goes geweest en kochten daar een splinternieuw cabinet voor 81 gulden en 50 cent op een vendutie. Wat heeft ze daar later trots op geweest.

We hebben daar jaren gemak van gehad. Het is verleden jaar kapot gekapt en heb ik de planken en schotten en schuiven gebruikt voor allerlei doeleinden, daar we het niet meer konden verkopen, als zijnde veel te veel verouderd en als  niet meer gebruikt te worden.

Op 12 maart hebben we ondertrouw gedaan en onze huwelijksdatum vastgesteld op 26 maart d.a.v.

Dit is voor ons beiden wel de meest blijde dag in ons leven geworden. De Heere had het tot dus ver zo doen geschieden dat de huwelijksband zou gelegd worden, iets wat we zeer verlangend naar hadden uitgezien.

Zij had al de aanzoeken van andere zijde tot haar doodeenvoudig afgezegd en wij zelf ook. Ik heb dit tot dusver niet aangehaald, maar in 1910, ik was toen dus 21 jaar en verkeerde ruim een jaar met Pietje. Toen heb ik een week of 6 gewerkt bij Panny. Deze had een paar dubbel woningen, die stonden in het "Verderf" en die wilde hij afbreken en dan in de Baan opzetten. Hij vroeg mij hieraan te willen helpen en ik deed dat. Nu was hij een zeer onplezierig mens en vloekte zeer veel. Ik zeide hem dit al vooraf. Maar hij zei dit niet te zullen doen. Nou hij heeft het bij mij niet gedaan ook. Toch ben ik er maar kort geweest. Want dit: hij had namelijk een dochter van dezelfde leeftijd als ik. Deze was onderwijzeres en ik had daarmee gelijk op school gegaan.

Nu werkte ik in de winkel, die stond daar achter waar nu Toon Zandee woont. Hij had een zeer beste vrouw, maar die dochter zat hele dagen bij mij in de winkel, daar ik altijd maar alleen werkte, Nou ze was erg goed en was een aardig meisje ook, maar ik kon mij toch aan haar verleiding niet in de slechte zin, o neen, daar was zij veel te beschaafd voor, niet geven. Ik hield veel te veel van Pietje en kon haar terwille van dit meisje niet opofferen. Want als ik ja had gezegd, dan had ze het direct gedaan.

Latere jaren heeft ze nog wel eens naar me gevraagd. Zij is naar Rotterdam gegaan, en allang weduwe, daar ze met een jongen uit Goes getrouwd is, maar helaas al lang dood. Of zij zelf nog leeft weet ik niet. Daarom voelde ik voor mij dat het beter was om daar weg te gaan. Wat ik toen ook zeer tegen de zin van haar Vader heb gedaan.

Dit is dus weer een episode uit mijn leven, die ik later nimmer aan anderen heb verteld, maar nu na de dood van mijn lieve Vrouw mag ik dit wel meedelen geloof ik. Dat zijn alle van die leidingen Gods in een mensenleven waarvoor we de Heere nooit genoeg dankbaar voor kunnen zijn dat Hij ons voor die dingen bewaart. Trouwens al was het dat ik nog had toegegeven, zou dit op zeer veel moeilijkheden hebben gestuit bij haar Vader, die een groot aannemer was en ik maar een arme timmermansknecht. Dit dachten we niet te mogen voorbij gaan, maar ik heb het bij de jaarsopnoeming toch willen verzwijgen.

De Heere heeft alles wel gemaakt. Zijn Naam daarvoor de ere!

Die datum dus 26 maart 1914 is dus met gulden letters in ons leven geschreven

 

20

 

en wat waren wij beiden zeer blij. Een huwelijk uit zuivere liefde tot elkaar, en als door Gods hand samengebracht.

Het was die dag erg buiig in de natuur, maar ’s middags kwam de zon door. Wij zijn met het rijtuig van Marien de Jonge naar de hulpkerk gereden, daar de oude Hervormde Kerk was afgebroken. Op het gemeentehuis zijn we getrouwd door Burgemeester Welleman, welke in 1913 Burgemeester van Krabbendijke was geworden in de plaats van Elenbaas, die lid van Gedeputeerde Staten was geworden.

De huwelijksacte is in het bezit van Eliza, die deze bij ons 40-jarig huwelijk heeft voorgelezen. Wij zullen dit dus niet hier herhalen. Wij zijn bij haar uit getrouwd en liepen dus dat eindje naar ’t Gemeentehuis, maar omdat het wat onbestendig weer was, en die hulpkerk stond, daar waar nu de timmerwinkel staat van Leen Butijn aan de Oostweg was een heel eind. Er waren veel bruiloftsgasten. Zij had een hele hoop kennissen en vrienden en ik zelf ook o.a. de familie Breker, waar wij ook altijd samen op elke bruiloft van zijn dochters werden genodigd. Wij deden dit vanzelf nu terug. Velen van die toen tegenwoordig waren, zijn nu reeds lang overleden, maar gelukkig ook nog vele die er toen bij tegenwoordig waren nog in leven. Zij zullen evenals ik dit alles nog wel herinneren.

Wij hebben een gedicht ontvangen en gezongen bij ons huwelijk in de kerk en dat allen tezamen gezongen. We hebben dit nog in ons bezit evenals onze Ondertrouwkaarten. Het zit in ons Familiealbum. Dominee Muller heeft ons zeer stichtelijk getrouwd uit Psalm 143: 9 laatste gedeelte: Bij U schuil ik.

Hij kende ons beide zeer goed, dus was het hem een zeer gemakkelijke taak. We hebben dan ook een zeer gezellige dag mogen beleven.

Tot maandag 6 april moesten we echter nog wachten eer we onze zaak en huis konden betrekken, daar van der Jagt niet eerder weg kon. Zo lang dus zijn we bij haar Moeder inblijven wonen. Veel heb ik daar echter niet kunnen slapen, daar we boven die klokkewinkel moesten slapen en als dan 's nachts al die klokken dan de een weer en dan de andere weer aan ’t slaan gingen was ik wakker. Zij had daar minder last van, daar ze zulks gewoon was.

Gelukkig was het gauw om, want de tijd vloog om.

Zo zijn we dan op die bewuste maandag in de zaak gekomen, waar we door Gods goedheid en menigvuldige zegeningen in gewoond hebben tot 14 juli 1958.

Van de kruidenierszaak had ik niet het minste verstand. Wel kon ik goed met gewichten omgaan, omdat ik dit bij Breker geleerd had met de verkoop van spijkers enz. maar boodschappen wegen, nou ik liet dat liever maar over aan Pietje, die dit alras graag deed. We hadden een paar mooie koperen weegschalen, die zij elke week glimmend oppoetste en die wij tot verleden jaar toe gehad hebben.

We hebben ze toen aan Kees Dieleman weggegeven. Zij was dan altijd zo trots op dat fijn gepoetste koperwerk, ook de gewichten die van koper waren.

Nog zij gemeld van ons huwelijk dat we alle kaarten en kaartjes, die wij toen ontvingen deze zomer alle nog in een album verzameld hebben. Ook de brieven met gelukwensen en niet te vergeten de voor die tijd zeldzaam mooie uittrekkaarten, welke wij alle in een doos nog bewaard hebben.

Zeer veel van die vrienden en kennissen zijn thans niet meer in het land der levenden, raar, toch is het nog mooi om alle deze herinneringen nog eens te zien en te doorlezen.

Keren we nu weer terug tot onze winkel en de daaraan verbonden werkzaamheden.

Het was vanzelf de eerste dagen voor ons erg druk, alles moest een plaatsje hebben en we moesten ons inwerken in de zaak, wat wel eens moeilijk was, maar ons beider wil was: doorzetten en aanpakken.

Ik ging nog al veel uit timmeren, want had nog al een paar goede klanten, maar toch was dit niet bij geen van ons beiden naar de zin. We zouden ons geheel aan de zaak wijden en deze moest met Gods hulp zo ver vooruit dat we er uit leven konden. Die Rijwielhandel die er aan verbonden was heb ik al direct afgeschaft, daar fietsenreparateur me geheel niet aan stond. Tabak en sigaren

 

21

 

dat deden we graag, want daar was toen in die tijd goed aan te verdienen, maar ook het glas- en aardewerk hadden we geen zin in om dat te blijven voortzetten en te verkopen. We hadden beide meer het oog de Boek- en de kantoorboekhandel naar boven te werken. Wij konden elkaar in deze altijd goed verstaan en trachten zo veel mogelijk één lijn te trekken. Alras had ik zin om ons huis te gaan verbouwen, daar een en ander ons niet aanstond en te veel ongerief betekende. Trouwens kwam daarbij nog dat ik het zelf kon doen. Ik zal nu eerst een beschrijving geven hoe het huis vroeger was.

Zoals gezegd had de Heer van der Jagt in 1903 er een winkel van gemaakt. Het woonhuis was zoals thans nog daar direct achter, maar dan was er in de gang waarmee we nu in het kantoortje, vroeger achterhuis, kwamen, een buitendeur. Daar kwam men dan op een open ruimte waar een welput stond, en direct tegen het gemeentehuis een stenen schuurtje, waarin de W.C., tenminste een droogspoeler op de riolering aangesloten. Want hoewel er in 1912 waterleiding is gekomen, was dit perceel daar niet op aangesloten. Water was er genoeg.

Een grote welput en een grote regenbak. Toen in 1910 heeft van der Jagt het achterhuis er aan laten zetten met daarachter een schuur, alles onder één dak daar waar nu de keuken en bijkeuken en W.C. is. Ik heb daar indertijd zelf nog een paar dagen aan geholpen, hoewel genoemde van der Jagt zelf het afgetimmerd heeft omdat hij ook tot zijn 21ste jaar timmerman was geweest.

Dan had hij het voorste gedeelte met een houten beschot een soort gang in gemaakt met daarin een schuifdeur, die toegang gaf tot het achterhuis en door die gang kwam men dan zo in die schuur wat hij voor fietsenzaak gebruikte. Dan was vlak tegen de achtergevel van het woonhuis een buitendeur, waardoor men over een plusminus één meter ruimte open naar het stenen schuurtje buiten ging. Wilde men dus naar de W.C. dan moest men naar buiten zo in dat schuurtje.

Dan stond in die open ruimte een breed lichtkozijn, tussen het achterhuis en de muur van het stenen schuurtje wat de verlichting was voor de woonkamer.

In het achterhuis stond zo een breed raam ook en in de schuur daarachter 2 lichtkozijnen. (Neen net andersom). Het was naar ons zin erg ongeriefelijk vooral dat ene kozijn in de woonkamer stuitte ons zeer tegen de borst. We hielden allebei van veel licht en was veel gezelliger ook. Dan waren er in de woonkamer naast de schoorsteen vaste getimmerde kasten wat in de zomer erg vochtig was. Ook dat beviel ons geheel niet. Dan stond geheel echter de zuidgevel van het achterhuis een houten kippenhok (geteerd) wat mij al geheel

een doorn in het oog was. Ook stond aan die eindgevel nog een grote regenbak. We hadden er dus 2 en geen gebrek aan water. De ene is er nog en ligt onder de tegenwoordige tegelstoep. In oorlogstijd heeft deze nog goed dienst gedaan.

Ik heb toen tekeningen en ontwerpen gemaakt, aanvrage bij het Gemeentebestuur voor zulke veranderingen was in die tijd niet nodig. Maar helaas een en ander zou niet direct doorgaan. Want we waren nog maar 4 maanden in de zaak en daar breekt de oorlog uit. Op de 1ste augustus begint de klok te luiden en worden alle dienstplichtigen opgeroepen.

De mobilisatie dus. Alle lichtingen, ik meen 7 moesten direct opkomen. Ik had vanzelf niet gediend, dus kwam ik er goed af. Maar we stonden met bedrukte gezichten te kijken. Wat zal dat worden? Pas een zaak begonnen en nu dit. Zullen we in de oorlog betrokken worden of komen we er af? Wie zal het zeggen? Allerwege droefheid. Veel getrouwde mannen moesten opkomen. Ook Piet Snoep en haar moeder was al enigszins hartlijder en bleef alleen zitten. Wij moesten dus elke nacht bij haar gaan slapen. Daar kwam nog bij dat haar verdiensten stil kwamen te liggen, want de vergoeding die gegeven werd in zulke gevallen was haast niets. Ik moest dus den boer op voor Piet Snoep, die toen met goud en zilver leurde en ook veel op afbetaling en het was toen zo, de mensen gaven geen geld meer uit en hielden het maar vast, met het oog op eventueel gebeurtenissen. Wat vanzelf niet opging. Maar brengen deden ze het niet. Ik ging dus al die klanten af en bracht dan nog al soms veel geld mee. Zodoende kon zij leven en ook aan de verplichtingen tegenover

 

22

 

haar leveranciers tenminste gedeeltelijk voldoen. Maar haar toestand ging daarop niet vooruit en werd ze menigmaal van Dr Geill verboden ook maar de minste werkzaamheden te doen. Zij was echter een erge vlugge en zeer rappe vrouw en een geest die zich niet kon aanpassen om stil te zitten. Maar dan zaten wij ’s nachts met de brokken en tobden we soms de hele nacht met haar. We gingen dan 's morgens weer naar huis, want we konden vanzelf onze zaak niet in de steek laten. Toen is Miene Smit, die toen 12 jaar was naar haar toegekomen en die was erg handig voor haar leeftijd en daar ook hadden we veel gemak van.

Wij werden dus in onze plannen erg afgeremd. Wat zal deze oorlog ons brengen?

Zal ons huis misschien straks onder het oorlogsgeweld in puin komen te liggen? Zullen wij zelf er het leven af brengen? De mens wikt wel, maar God beschikt. We stonden dus in dezen machteloos. Maar toch moest het leven en het werk weer doorgaan.

Er kwamen toen op ons dorp zeer veel militairen. En die werden alle bij de burgers ingekwartierd. Ook kregen wij ons deel daarvan. Soms drie of vier op een nacht, maar eindelijk kregen wij er een voor goed. Het was een adjudant van de veldartillerie, die er hier zeer veel kwamen. Alles zat tjokvol. Alle schuren en huizen, alles vol met militairen en geschut. Ook kwam de staf van het 3e Regiment infanterie uit Bergen op Zoom met de stafmuziek naar hier.

Het regimentsbureau werd vlak naast ons ingekwartierd, daar waar nu Adriaan van Iwaarden woont. Toentertijd woonde daar Meester Smit met zijn vrouw en een zoon en een dochter Anna.

Die man echter die bij ons kwam, was nu juist niet van het beste soort. Hij had een vrouw met acht kinderen en woonde in Bergen op Zoom. Hij was een dronkaard en menig keer kwam hij ’s avonds dronken thuis. Maar hij sliep boven en wij gingen dan stilletjes weg. Hij had een sleutel van de achterdeur en de huiskamerdeur draaiden we op slot. ’s Morgens kwamen we dan weer stilletjes er in, zodat hij niet eens wist dat we niet thuis geweest waren.

Daar kwam nog bij dat we niet bang hoefden te wezen voor inbraak of iets dergelijks daar dag en nacht een schildwacht bij ons voor de deur liep, die om de 2 uur vanzelf weer door een andere werd afgelost, omdat het vaandel van het Regiment in de kamer naast ons huis stond, wat altijd bewaakt wordt. Hoevele malen hebben we ook dat beleefd dat de stafmuziek bij ons voor de deur stond wanneer het vaandel mee moest.

Voor ons was echter die inkwartiering niet slecht, daar we veel verkochten. Menigmaal moest ik dadelijk naar Goes om bij de grossiers inkopen te gaan doen. Ik kon nu vanzelf niet meer uit timmeren en nog veel minder aan onze eigen verbouwing doen. Maar het ging bij ons er om met Gods hulp zo vlug mogelijk onze hypotheek af te lossen en in een eigen woning en zaak te zitten. Daardoor zouden de lasten lichter worden en we meer kunnen doen.

Nog erger zou het worden met de toename van de bevolking. Was alles al vol met militairen, in september vielen de Duitse legerscharen België binnen en viel de stad Antwerpen en kwamen er drommen van Belgische vluchtelingen ons land binnen en ook naar Krabbendijke. Met hele schepen vol kwamen ze op Hansweert en Vlake aan en dan hier het land in. Kerken, consistories en schuren alles vol met vluchtelingen. Droevig om aan te zien. Lang heeft dit echter niet geduurd, want toen eenmaal de Duitsers in Antwerpen zaten en in België zijn ze allengskens terug gegaan naar hun woonplaatsen. Maar toch was het voor ons weer niet slecht, daar de Belgen ook grove verteerders waren. Slechts enkele van hen zijn hier jaren blijven hangen.

In mijn bezit is nog steeds een brief welke broer Gerard toen aan ons geschreven heeft, daar hij ook in dienst was en lag toen met de vlucht der Belgen in Zuidzande aan de grens. Hij heeft dit van zeer nabij meegemaakt, maar zo iets is vreselijk.

Er zijn toen ook nogal wat doden gevallen. Het was een ontzettende toestand voor die mensen.

Toen zij dan eindelijk voor het grootste deel vertrokken waren ben ik toch

 

23

 

in dat najaar alvast begonnen met het schuurtje dat naast ons raam stond af te breken. Ik moest echter een nood W.C. maken. Dit heb ik toen gedaan achter tegen de muur, natuurlijk binnen in het hoekje, daar waar nu de toegangsdeur is naar de drukkerij. Afgeschut, was wel niet zo hygiënisch, maar 't was ook maar noodhulp. Dat stenen schuurtje heb ik toen in zijn geheel helemaal achteraan de woning gebouwd, ongeveer in dezelfde trant.

De W.C. kwam tegen de achtermuur aan de oostzijde terzijde van de buitendeur en daarnaast het kolenhok. Dus alles binnen. Wanneer er dan kolen gestort moesten worden kon de buitendeur open en het stof er zo uit.

Er kon dan in de muur aan de oostzijde meteen een w.c. -raampje voor ontluchting. Ik kon dan ook direct aansluiten op de riolering, daar ik dan direct buiten een vangput met betondeksel zou metselen.

Eerst dus het bestaande schuurtje af breken en alles zoveel mogelijk heel houden. Nou dat ging wel. Het grote lichtkozijn uit de woonkamer gehaald en die twee zeer mooie lichtkozijnen welke vroeger aan de straat hadden gestaan voor de winkelvernieuwing en deze beide in de woonkamer.

Dat was al direct een reuze verbetering. Ik heb daar twee stel zonneblinden aangemaakt, welke tot van de zomer ook altijd dienst hebben gedaan. Dat waren echte moderne zonneblinden. Bedoelde ramen zijn in 1948 toen weer weggenomen en in de eindgevel van de drukkerij gezet met blinden en al. Maar ze raakten nu ver versleten en hebben we ze af gedankt.

Het was in die tijd 1915 zo, dat van zonnegordijnen, luxaflex of balastore nog geen sprake was. Anders had ik zulke kostbare blinden nooit gemaakt, daar ze veel van onderhoud vergen. Maar in ieder geval het stond prachtig.

We hadden nu een mooie en gezellige kamer met grote ramen en een prachtig uitzicht, daar we anders altijd door een soort gang zaten te kijken. Ook in het achterhuis was het daardoor veel gezelliger geworden, daar we vanzelf wanneer we daar zaten altijd tegen die schuur zaten te kijken. De buitendeur die toegang gaf tot dat schuurtje heb ik toen een paar meter verder naar het zuiden gezet, zodat we vanuit de latere drukkerij daardoor naar buiten konden. In het achterhuis heb ik toen ook twee ramen gezet en het grote in de schuur.

Zodoende was dit een heel karwei, maar het schoot nog al hard op en had niet veel te breken. Alles eigenlijk maar van de ene plaats naar de andere brengen. De kasten naast de schoorsteen in de woonkamer heb ik al dadelijk weg gebroken, wat veel mooier stond. We kregen nu echt een kamer waar moeder trots op was. We hebben in ons familiealbum nog een binnenhuisopname waar we beide aan tafel zitten.

In het nieuw opgebouwde schuurtje geheel achteraan was toen door mij een glazen deur gemaakt die langs binnen door de gewone schuur weer toegang gaf tot het zogenaamde achterste schuurtje. Later heb ik daar een soort aanrecht ingemaakt, waarop dan de petroleumstellen stonden enz.

We zijn toen zo de winter van 1914 op 1915 doorgegaan en in het vroege voorjaar was het voor ons een zeer blijde tijd, daar zij in blijde verwachting verkeerde. Zij had daar altijd zo erg verlangend naar uitgezien, daar ze zeer veel van kinderen hield en ik zelf ook. Het was dus voor ons beiden een zeer heugelijke tijding, in de hoop dat de Heere alles wel zou doen uitkomen.

In die zomer moest die adjudant dan ook bij ons weg, daar zulks vanzelf niet toegestaan werd en in zulke gevallen een ander kwartier moest opgezocht worden. Hij is toen naar de postbode Geldof gegaan. Zo lang we echter konden gingen we bij haar Moeder slapen maar dan moest vanzelf naar wat anders worden uitgezien. Haar zuster Miene, die getrouwd was met Piet Smit, de schoenmaker is het toen gaan doen, toen wij niet meer konden.

Wij waren bijna een jaar gehuwd, toen we de hoop kregen een baby tegemoet te mogen zien. Zij was gelukkig altijd goed gezond en heeft er niet veel van geweten dan alleen bij de geboorte. Het was in die dagen stikvol met militairen en erg druk in de winkel, zodat ik haar nog al veel helpen moest in de zaak.

 

24

 

Op zondagnacht 19 september begon het al. We hadden toen zoals reeds eerder gezegd hier Dokter Geill een oude goede dokter. Want naar een Ziekenhuis dat was er toen niet. In zeer hoogst en uitermate kritieke gevallen werd er eens een naar Goes gebracht, maar dat Ziekenhuis was toen nog zo klein dat het niet mogelijk was daar patiënten van buiten in te ontvangen. In geen geval voor een gewone bevalling.

Het heeft geduurd tot Woensdagmiddag 4 uur. De winkel hadden we op slot gedraaid en dan elk ogenblik hoorde je zo eens een militair, die nog eens aan de deur moest voelen, hoewel er natuurlijk ook veel onder waren die het wel wisten, daar ze veel bij ons over de vloer kwamen en we ze allen al zo wat kenden. Temeer omdat het ook veel getrouwde waren. Dokter Geill zat zo wat de hele middag aan de bedstede te slapen, daar hij ’s nachts niet of zeer weinig op bed was geweest. En ja wel, net om 4 uur kwam er een jongen kijken. Net precies waarop ze zo innig had gehoopt. We hebben daar de Here voor gedankt. Ook ik was erg blij en de hele familie. We hadden dan ook veel belangstelling, ook van de zijde van de militairen.

Dat was wat voor die lui. Ze liepen bij ons uit en in. Later jaren zijn er nog verscheidene ons op wezen zoeken, zodat ik ze zelf haast niet meer terug kende. Maar wat was Pietje trots op dat kereltje. Wat heeft zij een foto’s van hem en van haar er bij laten maken? Later toen er meer kwamen, is dat vanzelf wel geluwd. Hij groeide goed en we hadden zo een ijzeren wieg, netjes bekleed, want dat was toen mode. Coba de Kok, de moeder van Johannes die recht tegenover ons woonden, daar waar nu Leu van Alten woont was baker. Een echte doorknede in dat werk, die niet gauw bang was. Dokter Geill had daar vanzelf veel mee op. Zij was getrouwd met Abraham Koster en we hadden daar echte goede overburen aan, zodat wij en zij ons goed kenden.

Echter kregen we alras weer een soldaat in kwartier. Het was een sergeant Bakhuys, fabrikant van een Vleesconservenfabriek uit Olst en die woonde zelf in Den Haag. Was een zeer beste en aangename kerel, die wij als vriend in huis hadden. Ook hij was gehuwd en hield al gauw veel van de kleine Kees. Hij vertroetelde hem geheel. Wij hebben nog brieven van hem liggende. Erg hartelijk en medelevend. Van onze verbouwde woning had ze zeer veel gemak. Het was wel wat ver lopen, maar had veel meer gemak als voorheen en voor de onderhoud ook veel beter. Trouwens werken deed ze toch graag, ze zei altijd: aan luie mensen heb ik een hekel.

Ook heb ik die tijd nog een verandering aangebracht in de winkelpui. Daar waren tot dus ver altijd als ingang 2 smalle deuren naast elkaar. Dit nu beviel ons geheel niet. Ik heb toen deze weggenomen en een brede deur er van gemaakt, zoals het nu nog is. Dat was op zichzelf ook al een grote verbetering, alsmede de etalages, die ik breder heb gemaakt. De kleine Kees groeide lekker en de zaken gingen goed, mede in verband met de tijdsomstandigheden, al waren die voor een groot deel der mensen niet zo erg aangenaam, daar ze ver van huis en haard in dienst waren.

We komen nu in het jaar 1916.

In de loop van dit jaar kregen we weer een andere soldaat in kwartier, namelijk een zekere korporaal van Acker, die ordonnans was bij de Regimentsstaf. Hij was afkomstig van Westdorpe aan de overkant en was een rijke boerenzoon, maar een allerbeste kerel. Wat heeft die met Kees veel gespeeld en gesold, het was of het zijn eigen kind was of een broertje van hem, daar hij nog erg jong was. Hij had een meisje in Dongen, Noord Brabant een dochter ook weer van een rijke schoenfabrikant, waar hij later mee getrouwd is. Hij heeft ons vele jaren later nog een paar keer op wezen zoeken. Hij was toen zelf directeur van die fabriek. Hij was op het stafbureau zo maar naast onze  deur bij Meester Smit en was veel thuis, zodat hij geregeld af en aan liep. We hebben nog foto’s van die hele staf, al die kolonels, luitenants en ordonnansen enz. De meeste zijn ook allang uit de tijd.

Nog zij gemeld dat aan de andere zijde, daar waar nu de Boerenleenbank is,

 

25

 

als buren woonden de Heer Elenbaas. Zijn vrouw was afkomstig van Kruiningen en kwam bij ons dikwijls ’s morgens koffie drinken. Zij was een echte boerin, meer dan een vrouw van een lid van Gedeputeerde Staten. Haar man was een echte mijnheer, alhoewel een goede man, maar zij was erg boerig en gewoon. Ze kwam zeer gaarne bij ons.

Toch zou het jaar 1916 voor ons een minder aangenaam jaar worden daar ik half de zomer in kennis werd gesteld dat ik in dienst zou moeten na een vooraf gegane keuring. Het was toen zo, dat een wetsontwerp was aangenomen dat al wie in vorige jaren niet gediend hadden door vrijloting opgeroepen werden voor de militaire dienst om de oudere lichtingen, de zogenaamde Landweer af te lossen. Dat waren dan de Landstormers. Op zichzelf was zulks wel goed, daar er veel oude mensen van om en bij de 40 jaar in dienst waren.

Maar voor ons viel dit niet mee. Pas goed en wel op dreef met een zaak, een vrouw met een klein kind en dan weg er uit moeten. Maar het was het lot van zo velen. Ze zou dus met haar lieveling alleen blijven en wie weet voor hoelang en hoe in welke omstandigheden. Want nog altijd dreigde ook voor ons land het oorlogsgevaar. We zaten dus in zak en as, zoals licht valt te begrijpen. Daar kwam nog bij, dat we veel drukwerk kregen en ik begon plannen te koesteren om zelf een drukkerij te beginnen. Tot dusver bestelde ik dat altijd maar bij van der Peijl op Kruiningen of bij Gebroeders Siepman in Goes, maar ik zag er kans op om dit zelf ook wel te kunnen. Door veel leren en goed afkijken als ik dan eens in zulk een drukkerij kwam had ik daar veel zin. In ieder geval, ik liet een begroting opmaken bij de Lettergieterij Amsterdam wat zulks zou moeten kosten en de hele zaak zou komen plusminus op 1300 gulden. Dan was ik zo ongeveer ingespannen, al was het maar voor gewoon werk, maar als ik zag wat ik nu naar de drukkers brengen moest, dan zag ik er toch kans op dit op te brengen. Helaas de mobilisatie was hier spelbreker en als ik in dienst moest zou ik dit aan een ander moeten overlaten en wie weet of we zelf in de oorlog zouden betrokken worden wat er dan van de zaak over zou blijven. Alle obstakels en hindernissen die ons in onze plannen deed afremmen en ik het niet aandurfde.

Op 1 september van het jaar 1916 kreeg ik dan ook het volgende bericht of oproep:

LANDSTORM.

Kennisgeving van inschrijving voor den Dienst;

Op heden den 1ste September 1916 is ingevolge het bepaalde in de Landstormwet voor den dienst, zowel gewapenden als ongewapenden bij den Landstorm onder volgnummer 3 ingeschreven in het inschrijvingsregister model 1 (Jaarklasse 1909) van de gemeente Krabbendijke de persoon van

Cornelis van Velzen

geboren den 15 -en Februari 1889 te Krabbendijke.

Ter voldoening aan het voorschrift van art. 6 v/h Landstorm-besluit wordt door den Burgemeester van Krabbendijke van die inschrijving bij dezen aan de ingeschrevene kennis gegeven.


Krabbendijke, 1 September 1916 De Burgemeester van Krabbendijke  w.g. Jac.Welleman.

 

In dat zelfde najaar moesten die opgeroepenen ter keuring verschijnen in het Gemeentehuis te Kruiningen en ik werd goedgekeurd. Dus ik wist al waar ik me op voorbereiden moest. Mijn plannen voor het oprichten van een drukkerij werden dus opgeborgen in de kast. Het zou nog ongeveer 3 jaar duren eer het zo ver was. Maar de oudere mannen werden in ieder geval naar

 

26

 

huis gezonden, zogenaamd gedemobiliseerd en daardoor kwam ook Piet Snoep uit dienst, zodat wij niet meer bij moeder moesten gaan slapen.

In die tijd was Miene Smit, thans Mevrouw van de Broeke uit Vrouwenpolder van school gekomen en was nu meid bij Grootmoeder. Dit was voor ons natuurlijk al een zeer grote verlichting, temeer daar Kees ook nu al een jaar oud was en dus konden we die moeilijk alleen laten en moest hij altijd mee. Zij hield vanzelf dolveel van kleine Kees en vertroetelde hem geheel en al.

1917

Dit jaar zal door ons ook nimmer vergeten worden, want dat bracht ons zeer veel wederwaardigheden en een afscheid nemen van ons werk en zaak, maar in het bijzonder wel van onze lieve Vrouw en kind. Want ik kreeg het volgende bericht thuis gestuurd:

LANDSTORM.

OPROEPING voor den MERKELIJKEN DIENST.

De burgemeester der gemeente Krabbendijke brengt ter kennis van den dienstplichtige van den Landstorm

van Velzen Cornelis

ingeschreven in het register voor den Landstorm der gemeente Krabbendijke, model 1, der jaarklasse 1909, onder volgnummer 3 dat hij in werkelijken dienst moet komen op Dinsdag 1 Mei 1917 namiddags 12.15 uur te Middelburg in het Gymnastieklokaal aan de Groenmarkt.

Enz. enz. enz.

Krabbendijke, 13 Maart 1917

De burgemeester voornoemd,

w.g. Jac. Welleman.

Het waren toen voor ons nare weken en we zagen in die tijd al begerig uit of het einde van de oorlog nog niet in zicht was, daar dan alles vanzelf niet zou doorgaan, maar helaas die dag brak aan en ik moest weg. Begrijpelijk dat dit voor ons een zware weg was. Zuster Trui die nu in Zierikzee woont zou als dienstmeisje bij ons komen wonen, althans dagmeisje, want alleen kon zij het niet af. Daar was veel te veel werk en dan de winkel. Er moest dus naar hulp uitgezien worden. Maar ook dit kostte ons weer veel geld, want ik kreeg als kostwinner toen 80 cent per dag vergoeding. Was dus een bedrag om van te watertanden. Ze konden beter maar niets geven.

Dat was dus geregeld en zo kwam dan de 1ste Mei 1917 aan. Een dag om nooit te vergeten. Ik was in 1908 vrij geloot en nu 9 jaar later, ik was toen 28 jaar moest ik de soldatenrok nog aan gaan trekken.

Wij dus naar Middelburg. Het was in die tijd de gewoonte dat de veldwachter je naar je plaats van bestemming bracht waar je op moest komen. Doch ik vertelde de Burgemeester alras dat ik het zelf wel zou vinden, alsmede mijn andere vrienden die daar op moesten konen. De heer Vermeule was toen hier veldwachter en die dacht daar nog wat aan te verdienen, want dan was het de gewoonte dat je het daggeld, zegge 25 cent, aan hem gaf.  Wij waren daar geen van allen opgesteld. Wij zouden zelf ons wel melden. We waren geen jongen

 

27

 

van 19 jaar meer. We zouden ook wel maken dat we er op tijd waren en in Middelburg waren we allen wel bekend. Was wel niet naar Kootje Welleman zijn zin en Vermeule, maar we deden het niet. We namen de gevolgen wel voor onze rekening.

We zijn dan ook in Vlake op de sneltrein gestapt en onze fietsen kwamen ze van Marien Meeuwsen, de kolenboer met een wagen om. Hij was toen in die tijd bode van de Oostdijk op Krabbendijke.

En daar hij zelf ook op moest viel dat nog al gemakkelijk. Dan was er nog Marien Paardekoper, ook uit Krabbendijke en Marien Ruissen uit Waarde en Lou Moerman uit Rilland. we zouden ‘s middags on kwart over 2 met de sneltrein voorbij Krabbendijke komen, want het stond alvast dat we toch wel Holland in moesten. We hadden allen een label die we in Middelburg beschreven en waarop stond waar we naar toe gingen. Deze bonden we aan een steen om uit de trein te gooien. Volk stond er genoeg op het perron, dus zou de één of ander ze wel opvangen en doorgeven aan onze vrouwen of familie. Hou deze label wat het opschrift betreft laat ik hier voor de aardigheid even volgen

De Heer C. van Velzen.

Johannes! Laat direct mijn Vrouw weten, dat we naar Den Helder gaan. Groete aan Vader, Zusters en Broers, inzonderheid mijn geliefde Vrouw en kind. Kees.

Nu dacht ik dat broer Johannes ook daar zou staan maar ze werd opgevangen door Postbode Lindenberg, die hier toen was en die al sedert jaren dood is. Hij moest bukken voor de stenen en toch was die man zo blij dat hij dat bericht als eerste opving. Ik heb daar nog een brief van die ik kreeg van mijn lieve Vrouw en waarin zij dat schreef. Maar voor ons was het een zeer pijnlijk geval. Van het uiterste zuiden naar de kop van Noord-Holland en dan allemaal getrouwde mannen. We hebben ze nog al eens geteld en dan deed de trein er 9 uren over en stopte aan 55 stations. Te begrijpen dat er menig hartelijk woordje naar de zijde van onze regering in die tijd werd

gesproken. Verder kon het niet anders hadden ze ons nog verder weggestopt. In ieder geval had ik daar toch nog een kennis, want er woonde in Den Helder een buurmeisje van ons die getrouwd was met een Zeeofficier, namelijk Saar Elenbaas

een dochter van de vroegere Burgemeester. Ik ben ze dan ook in die tijd dat ik daar was een paar keer op wezen zoeken. We kwamen daar ’s nachts om kwart over 11 in het stikdonker aan en werden gebracht in een soort barak, maar slechts voor een nacht.

De volgende dag moesten we naar een oud oorlog schip, dat was nog een houten, ik geloof uit de tijd van Michiel de Ruyter, en dan sliepen we in hangmatten, die overdag netjes opgerold werden en dan in een hok daarvoor bestemd werden opgeborgen, zodat er overdag van slaapgelegenheid niks te zien was.

Toch sliep men daar lekkerder in dan op een harde stroomatras. Alleen iets er aan wennen. Dat schip heette "De Neptunus" Een foto zit er van in ons Familiealbum. Toch zag het er erg mooi en zindelijk uit. Moest dan ook zeer goed en degelijk onderhouden worden en elke dag zwabberen. Maar wij konden aan dat klimaat daar maar niet wennen. Het is daar veel kouder dan hier met die zeewinden en alles zo kaal en vlak. Tot aan Alkmaar ging dat goed en was het mooi, maar dan daar boven was het akelig en kaal. Ook geen dubbel spoor meer boven Alkmaar, maar enkel spoor.

En nu aan het schrijven naar huis. Zaken regelen per brief. Inlichtingen geven. Bestellen van dit en dan weer van dat. Talrijke brieven en kaarten hebben we vol geschreven en alle nog in ons bezit. De moeite waard deze zo af en toe nog eens over te lezen.

Maar nu zouden we het over de dienst hebben. Ik was ingedeeld bij het 4e Reg.

 

28

 

Reg. Vesting Artillerie 1ste Bataljon. Dus geen gewoon infanterist, zoals de meeste in die tijd. We zouden dus veel aan de kusten van Den Helder moten vertoeven en in de forten die daar gebouwd waren, We hadden dus de wind uit de eerste hand. Het was Meimaand toen ik daar was maar heb er nog veel kou geleden.

Een van de eerste dagen kregen we al een zogenaamd test, zoals ze dat nu noemen. Dat was om kader uit te trekken. We moesten dan wat sommetjes maken, een dictee die een luitenant dicteerde uit een krant of tijdschrift maken en wat Nederlandse taal. Een opstel maken enz. enz.

We kregen daar dan een van te voren vastgestelde tijd voor. Nu was er nog een onderwijzer die zeer dicht bij mij zat uit Schagen en wij waren eerst klaar en toen gingen we afspreken er een lijntje of randje rond te trekken. Wat voor mij net fout was. Want toen het werk moest ingeleverd worden was ik een van de eersten die uitgetrokken werd om voor sergeant te leren. Ik zei die luitenant kort weg: Dat doe ik niet. Hij vroeg mij waarom niet: Dan beschouw ik je als dienstweigeraar.

Nou daar stond de doodstraf op, want die krijgsartikelen werden ons al de eerste dag voorgelezen en dat was al doodstraf wat de klok

sloeg. Ik vertelde hem toen dat ik veel te ver van huis was en een zaak had en een vrouw en kind. Dan moest ik veel te lang leren enz. enz.

Nou ik heb veel moeten soebatten om daaronder uit te komen, maar eindelijk gelukte het toch. Die onderwijzer is helaas maar 6 weken in Den Helder geweest en is toen gestorven aan de vreselijke ziekte: nekkramp. Ik was toen al uit Den Helder weg. Maar toch kende ik hem zeer goed. Was een beste kerel. Maar het Nederlandse leger was maar arm in die tijd en we moesten nog maar steeds met ons eigen kleren aanlopen, omdat er geen kleding was. Dat begon ons natuurlijk erg de keel uit te hangen. In dienst van de regering en dan je eigen kleren moeten verslijten. Je begrijpt dat er nog al eens wat gezegd werd tegen de meerdere.

Zo was ik al 10 dagen in dienst toen ik plots een telegram kreeg van de dokter uit Krabbendijke om direct naar huis te komen in verband met de zeer ernstige toestand van Pietje d’r Moeder. Ik was toen nog geen soldaat en in burger naar Krabbendijke. Toen ik hier aankwam was het hier volop lente en in Den Helder was het nog winter.

Alles kaal was het daar nog en hier alles volop in groen en in blad. Wat een verschil? Je kunt begrijpen dat er eenerzijds blijdschap was met al de droefheid. Maar het was een erge hartaanval, die zij had en het ging weer over, dus moest ik weer al gauw terug.

De meeste tijd na afloop van de dienst des avonds zaten we in een Militair Tehuis. Daar was een huisvader, die nog van het oude stempel was en ’s avonds altijd dagsluitng hield met zang en orgelbegeleiding. Ik hoorde die man graag, temeer daar hij al op hoge leeftijd was. Zondags liepen we zo wat overal. Daar die predikanten die toen in Den Helder stonden zowat alle van de moderne richting waren. Ik ging veelal naar een Evangelisatie of naar een Oud-Gereformeerde dominee Meyer, een kerkje waar meest vissers in kwamen, maar die zeer fijn kon preken en de zuivere oude Waarheid en dat mocht ik graag Veel volgelingen had ik echter niet dan Marien Ruissen en Lou Moerman.

Toch heb ik er nooit geen spijt van gehad deze mensen te horen. Het was m.i. toch het echte en alleen ware, hoewel we vanzelf toch altijd nog aan de Nederlands Hervormde Kerk hoorden.

Op 27 mei d.a.v. was het Pinksteren en mochten we naar huis. We waren toen echt soldaat. Wat een blijdschap voor mijn Vrouw en kind, dat begrijp je.

Maar reeds op 2e Pinksterdag moesten we ’s avonds om 6 uur weer vertrekken, want ’s nachts om 1 uur moesten we weer present zijn. Maar wegens drukte van soldaten en verlofgangers waren de treinen erg verlaat en kwamen we in Haarlem aan toen de trein naar Den Helder al vertrokken was. Wat te doen. Ik naar de stationswacht, want die had je toen in die tijd overal en netjes alles verteld. Die andere mannen lieten mij er maar voor op

 

29

 

draaien en ik moest de boel maar opknappen. Wij hebben toen die nacht in de Coehoornkazerne geslapen, echter niet veel met de ongerustheid; hoe zal dat morgen aflopen? We moesten er s morgens al vroeg uit, om de eerste trein naar Den Helder te hebben. Na afloop van de dienst ’s middags vanzelf bij de kapitein op het rapport komen.

Ik heb daar weer het woord gevoerd en net zolang en zo mooi gepraat totdat we zonder straf er vanaf kwamen. Natuurlijk met de mededeling dat het niet meer zou voorkomen, Wat vanzelfsprekend door ons grif beloofd werd. In elk geval geen straf.

Ik ben toen heen en weer gaan proberen om dichter bij huis te komen en jawel, dat lukte net en mocht per 1 juni naar Klaaswaal. Een grote verbetering voor mij, daar ik dan op de fiets zaterdags naar huis kon over Willemstad.

Nou ik had niet veel met Den Helder op om de reden zoals al eerder gemeld.

Was dus blij dat het voor mij daar gedaan was.

Ik ben toen naar Klaaswaal vertrokken dat was de verdediging der monden van Maas en Schelde en werd daar ingekwartierd bij een zekere wagenmaker een Middelhoek, aan de Strijensedijk. Dat was een weduwvrouw met haar dochter en een zoon, die de zaak van zijn vader dreef na diens overlijden. Was een goede vrouw, maar die zoon was een fanatieke kerel. Ik kon beter met zijn moeder praten dan met hem. Ook waren het zeer ouderwetse mensen. Ik kwam daar 1 juni aan en dat was in de tijd van de verse groenten en salade en dan kregen we 's middags van dat oude gele gastige spek bij de aardappels van de slacht van vorig jaar oktober en november. Zo geel als goud en ik kon daar niet tegen. Maar ja, je kreeg niet anders en ik moest dus wel wilde ik geen honger lijden. Doch gelukkig het verblijf daar was ook maar een maand en per 1 juli zijn we vandaar vertrokken naar Oostkapelle in Walcheren. Daar heb ik het zeer goed naar mijn zin gehad en ben daar ook gebleven tot de demobilisatie in november 1918. Ik kreeg toen om de andere week een week zakenverlof en dat was een genot voor mij.

Ik kon nu tenminste weer eens me zelf aan de zaken gaan wijden.

Een zeer grote verlichting voor mijn vrouw, die tot dusver alles zo wat alleen moest opknappen. Zij was vanzelf erg blij, alleen als ik dan die week weer weg moest ging het hoofd naar beneden. Nou dat viel voor mij dan ook niet mee.

En nu het droeve voorval dat in die tijd plaats had. En wel met de kleine Kees. Hij hield zeer veel van paarden en was nog al veel bij Jaap van Boven in het wegje, zoals wij dat noemden en deze was bode op Goes met 2 paarden. Hij liep daar veel omdat ook zijn vrouw Liesbet zeer veel van Kees hield, temeer omdat juist in die tijd er niet zoveel kleine kinderen toen in die buurt waren. Hij of zij nam hem nog al eens mee. Nu had hij Jaap van Boven zulk een ouderwetse mangelmolen waar in hij de mangels voor de beesten draaide en natuurlijk met onbeschermde raderen.

Tegenwoordig mag zo iets niet meer en ze worden ook niet meer gebruikt, daar er geen paarden meer gehouden worden.

Jaap zou mangels draaien voor de paarden en laat hij nu zijn vingertjes tussen die raderen steken.

Vreselijk vat een toestand. Janna Meeuwsen, de vrouw van Toon Meeuwsen kwam het zeggen ik was toen net thuis. Gauw zo hard als onze benen konden dragen naar dokter Geill, die nu eens zelf een nieuwe geneeswijze zou toepassen en dat gewoon met de natuur zou doen genezen. Wanneer zo iets tegenwoordig zou plaats hebben dan direct naar het Ziekenhuis en opereren, wat zeer goed is ook. Want nu draagt hij nog de gevolgen van die zogenaamde natuurgeneeswijze in zijn vingers, daar het geheel niet bijgewerkt is en nog een groot stuk nagel totaal verdraaid is blijven zitten en van de andere vingers een gedeelte is afgeknepen. Gelukkig zijn z’n vingers er nooit stijf door gebleven en kan hij ze goed gebruiken, al is het een naar gezicht. Ze zouden dat nu veel netter bijwerken als zo iets plaats had. Maar dat neemt niet weg dat hij de eerste dagen veel pijn had. Het is nog wel de moeite waard de brieven te lezen die ik dan in die week kreeg van zijn Moeder hoe het

 

30

 

met hem ging ”die lieve kleine jongen” zoals zij hem noemde. Ja dat zijn dingen die een mens in zijn leven nimmer vergeet. Maar gelukkig de Heere gaf uitkomst en heeft het alles nog ten beste doen uitlopen, hoewel Zijn wegen soms door de diepte kunnen gaan. Als wij er maar meer op merkten en Zijn doen gade mogten slaan.

Zoals ik reeds eerder aanstipte kreeg dus om de andere week verlof, maar nu naderde Kerstmis en Nieuwjaar en laat ik er nu met Kerstmis juist tussen zitten dat ik geen vrij had. Wat een tegenvaller voor ons allen juist met zulke gezellige dagen thuis te denken wezen en nu in dienst.

Ik ging echter toch naar huis daar ik geen wacht doen moest, hoewel dat daar erg druk was met die wacht. Soms een dag vrij en dan stond je er weer al op tegen de andere dag. Maar dat had ik juist niet en ik ging er zonder permissie tussenuit. Ik had dit al zo dikwijls gedaan en altijd goed afgelopen, maar ditmaal mislukte het. Ik kreeg 4 nachten politiekamer.

Dat was dus op de harde planken slapen en 's avonds na afloop van de dienst er in tot 's morgens aan het begin van de dienst. Wat is echter het geval? Juist toen ik voor de eerste nacht in het cachot moest, moesten we die dag voor 4 dagen naar Vlissingen waar wij die tijd werden gedetacheerd om met handgranaten te gooien. Nu had die commandant mijn straflijst mee moeten geven uit Oostkapelle, maar die vergat zulks.

Ik vroeg 's avonds aan de luitenant of ik avondpermissie kreeg en aangezien we toch in de stad werden ingekwartierd konden ze ons toch niet controleren. Ik wipte ’s avonds op de trein en kwam 's morgens netjes op tijd weer aan en in plaats van in het cachot op de harde planken sliep ik netjes bij mijn vrouw in het heerlijke bed. Dat deed ik zo lang we in Vlissingen geweest zijn. En met Nieuwjaar mocht ik toen weer naar huis met verlof. Ik had dat fijn gelapt. Mijn kameraads hebben er later nog al eens hartelijk om gelachen ik ook. Maar het was een echt waagstuk, gelukkig is het nooit uit gelekt. Pas 14 dagen later dachten ze aan mijn straflijst en toen heb ik ze toch nog moeten uitzitten,

Maar toen was ook Kerstmis en Nieuwjaar voorbij. Toen was het zo erg niet meer.

Ik heb daar in Oostkapelle veel vriendschap ondervonden. Ik heb nog een maand in kwartier gelegen aan de Duinweg bij Lou den Hollander en Neeltje Maljaars. Deze laatste familie heb ik zeer veel vriendschap van ondervonden en ben daar later jaren nog al eens geweest. Ook haar oude Moeder Weduwe Maljaars leefde toen, nog een zeer aangenaam mens en vriendelijk in omgang. Ik ging daar 's avonds naar de dienst altijd naar toe. Ze had ook nog een dochter Neeltje, die gehuwd was met de Visser en op een grote hofstede onder aan de duinen woonde. Ook daar kwam ik zeer veel. Hun kinderen zijn nog al eens over geweest naar ons toe. Zij hadden 3 zoons en een dochter. De laatste was zowat een meisje van 17 jaar en is later gehuwd geweest net een zekere Meyer, die toen in Goes is gaan wonen. Die man is nog altijd Hoofdboekhouder aan de Z.L.M. Helaas is zij zeer jong gestorven. Was nog maar enkele jaren gehuwd.

Ook de familie den Hollander zijn alle overleden. Ook een jongen die later Gemeente-ontvanger is geworden van Vrouwenpolder, maar ook zeer jong overleden. Dan had zij nog een dochter Pie Maljaars, die net toen ik daar was, getrouwd is met de smid van Vrouwenpolder Jan de Bruijne Zij was een zeer net Walchers meisje en goedig karakter. Ik moest vanzelf ook op de bruiloft komen, wat ik ook gedaan heb.

De lijst die ik met hun namen er ingeschreven, hing tot voor enkele jaren geleden nog in hun woonkamer. Ook zij is reeds enkele jaren overleden en dus niet oud geworden, daar ze nog al wat jonger was dan wij. Hij zelf woont nog in Vrouwenpolder, terwijl zijn dochter, die gehuwd is nu in de zaak woont.

 

31

 

Overigens was de ligging die wij daar in Oostkapelle hadden verre van fraai. Het was een armoedig zaakje, ons hele leger onwaardig. We lagen eerst op een zolder van een koetshuis van een buiten. Was op zichzelf ook al niks. Daarna in barakken in het bosch, waar ik het eens op een nacht heb gehad dat er een rat over mijn hoofd wegliep. Het wemelde daar van het ongedierte. Die keuken stond daar vlak bij en daar kwamen die beesten naar toe en vanzelf ook in die barakken, die maar op de grond gebouwd stonden. Toch had ik daar een schoon leven, want ik was timmerman en ging altijd werken op het dorp aan de Domburgse weg, in de zaak van de Heer Geldof, waar ik ook als kind in huis was. Waren zeer beste mensen. Ik heb nog in ons familiealbum een foto van een zeer klein meisje van een dochter van hen, welke zij bij een soldaat had gehad.

Maar deze moest dit kind houden. Ik was daar zo mee vertrouwd met die mensen, dat ik nog al eens als de tijd van betalen voor die kerel verstreken was het postwissel naar het hulpkantoortje ging halen voor hen. Ik moest meest fijn werk maken, b.v. tafeltjes en banken voor de kapitein. Ik had dus weinig met de dienst te maken. Alleen moest ik ook wacht doen, omdat er veel stukken geschut in die bossen verspreid stonden en overal wacht bij moest worden gedaan. Daar kon ik niet van onder uit. Toch heb ik menig keer een wacht verkocht. Want dat ging toen vrij makkelijk, daar vele jongens gebrek aan geld hadden. Zulk een wacht kostte dan b.v. een gulden en vijftig cent of twee gulden, maar dan was ik er weer vanaf. Hoe dikwijls heb ik daar midden in de nacht met 2 man door die donkere bospaadjes gedwaald tot aan Domburg toe. Nou dan was ik blij dat het er weer op zat. Eenzaam in zulke bossen 2 uur achtereen op wacht, soms is het wel gebeurd in zwaar onweder. Nou dan was het mij wel eens eng, vooral als ik dan om huis begon te denken.

Maar hoe dikwijls heb ik het ook in mijn eenzaamheid gezongen: Maar de Heer’ zal uitkomst geven, Hij die ’s daags Zijn gunst gebied enz. En het is gebeurd ook.

Wij komen dan nu aan het jaar:

1918

Een jaar om nimmer en nooit te vergeten. In het eerste geval voor ons zelf en mijn lieve Vrouw en in de tweede plaats in het wereldgebeuren.

We kunnen het noemen het rampjaar, want hoevele gezinnen en mensen zouden dit jaar in rouw gedompeld worden. Bij ons zou dit ook zo wezen, maar ook zou er zeer veel blijdschap bij ons wezen eer het jaar zou verstreken zijn.

Eind der maand januari kreeg ik bericht dat ik dadelijk naar huis moest komen in verband met de toestand van Pietje d’r Moeder. De dokter had het zelf opgegeven en zag er niet lang meer te leven in. Nou de dokter had het goed gezien, want op 4 februari stierf zij. Zij zou op 8 februari 70 jaar oud worden en net op die dag werd zij begraven.

We kunnen begrijpen dat Pietje erg bedroefd was en voor haar een zware slag, daar zij zo veel jaren met haar Moeder alleen met Piet was geweest, maar die was meeste tijd van huis. Daar kwam nog bij dat zij de jongste was en nog wel een achteraan komertje.

Haar Moeder was 42 jaar toen zij werd geboren. We hebben het later nog al eens schertsend tegen haar gezegd:

Je kunt wel merken dat jij de jongste was, dat zit er altijd nog in bij je. Ook de kinderen hebben haar daar nog al eens mee geplaagd. Geen wonder dus dat zij veel miste aan haar Moeder, die ook veel van haar hield. Nou, ze heeft ze dan ook zeer goed verzorgd ook, vooral daar zij in haar laatste levensdagen een ziekte er bij had gekregen die erg veel Verzorging en werk meebracht, namelijk waterzucht, zodat we ze soms 3 of 4

 

32

 

maal per dag en ook des nachts haar moesten helpen.

De was ging dan vanzelf mee naar Pietje. Het was voor haar dan ook een erge drukke tijd. Maar zij had gelukkig een gezond gestel en kon goed werken, en zij deed het met alle liefde.

Maar ik moest weer terug naar Oostkapelle, want de oorlog was nog steeds niet ten einde. Miene Smit bleef toen alleen met Piet Snoep over en Moe Pie was de aangewezene om te helpen, wat zij ook zeer veel gedaan heeft. Zij was als een Moeder voor Miene, wat later jaren ook gebleken is. Want haar eigen Vader en Moeder waren nu juist niet wat zij eigenlijk voor een kind zouden moeten wezen. Helaas moeten wij dit tot ons leedwezen neerschrijven, maar het is de zuivere waarheid. Zij kwam dan ook veel liever naar ons dan dat zij naar haar eigen ouders ging.

Het was in dit voorjaar dat zij mij de heugelijke tijding deed dat zij in verheugende omstandigheden verkeerde, iets waarnaar zij allang had uitgezien, getuige de brieven die ik soms van haar kreeg en als we dan samen thuis waren kon zij daar hartstochtelijk naar verlangen, temeer daar Kees ruim 3 jaar zou kunnen zijn eer het zo ver zou zijn, als de Heere het behaagde. Bij wijle had zij de moed al opgegeven dat ze geen kinderen meer zou krijgen, maar ook in deze is het weer dat de mens zijn weg wel overdenkt, maar de Heere zijn gangen stiert. Er zou echter nog heel wat aan voorafgaan eer het kind er was.

Er zouden nog zware oordelen over het Nederlandse volk en de hele wereld gaan. Want het begon al in de zomer van dat jaar. Het begon bij ons in dienst al in juli namelijk de zogenaamde Spaanse griep, omdat deze zijn oorsprong vond in Spanje, daar het begonnen was.

Het was eigenlijk de influenza. Ik zelf kreeg het ook en heb toen 8 dagen in het hospitaaltje dat midden op het dorp Oostkapelle daarvoor was ingericht, gelegen. Maar het ging bij mij Goddank vlug over. Er waren er echter die het al zeer zwaar te pakken hadden. Er werd in de beginne vreselijk mee gespot, maar eer we twee maanden verder waren zou dat anders wezen.

Op 23 augustus kreeg ik een telegram van Dokter Hondelink, die in die tussentijd de praktijk van Dokter Geill had overgenomen, dat ik direct naar huis moest komen in verband met de toestand van mijn vrouw. Gemeld zij dat deze dokter op Krabbendijke als Officier van Gezondheid had gelegen, zodat hij voor ons geen onbekende was. Ook zijn vrouw was Arts.

Ik kreeg dus "Bijzonder Verlof".

Verlofpas:

De ondergeteekende, Commandant van het Detachement Vesting Art. verleent bij deze aan kannr. van Velzen C. in garnizoen te Oost­kapelle veertien dagen verlof naar Krabbendijke ingaande op 26 aug. 1913 zijnde hij alzoo gehouden om op het l.g. appèl van den 3 ste September wederom bij zijn detachement presten te zijn, behoudens de verplichting om onverwijld naar zijn garnizoensplaats terug te keeren, wanneer hij kennisgeving ontvangt, dat het verlof is ingetrokken.

Oostkapelle, den 23 augustus 1918.

de Commandant voornoemd,

w,g. Peppelman van Kampen.

Ik ben dus direct naar huis gegaan en niet meer in dienst geweest, zo als hierna zal blijken. Zij had trombose in haar been gekregen en dat was een zeer gevaarlijke toestand in deze omstandigheden. De dokter verbood haar dan ook zeer ernstig en streng absoluut niet te lopen. Overigens constateerde de dokter dat alles in orde was.

Ik heb dus alvast maar van Oostkapelle en mijn vrienden daar afscheid genomen en meteen maar wensende dat ik niet meer als soldaat bij hen zou terug moeten keren, wat zij vanzelf ook hartelijk wensten.

 

33

 

Wat het kerkelijk leven aanbelangt tijdens mijn verblijf in Oostkapelle en ik was daar vanzelf ’s zondags nog al eens. Toen ik om de week een week verlof kreeg, vanzelf ook altijd een zondag. Ik ging eerst naar de Hervormde Kerk, daar ik daar aan hoorde.

Er stond toen een zekere Doninee Krijkamp welke ik kende daar hij vroeger op Schore had gestaan en hij dan nog wel eens op Krabbendijke preekte. Maar hij beviel mij totaal niet, was wel een klein weintgje anders dan de Krabbendijkse dominees, maar was toch eigenlijk niets.

Ik ging dan af en toe wel eens naar de Gereformeerde Kerk waar toentertijd stond een jonge candidaat Vollenhove, die naar ik meen later proffesor is geworden maar ik meen dat deze overleden is enkele jaren geleden. Nee, het beste voelde ik me kerkelijk maar thuis als ik met de oude Vrouw Maljaars en haar dochter Pie mééging naar de Gereformeerde Gemeente. Daar preekte toen elke zondagavond de welbekende Dominee Kok, die toen in Aagtekerke stond en dit was zo gecombineerd met Oostkapelle dat hij 2 maal per zondag in Aagtekerke en dan ’s avonds in Oostkapelle preekte. Ik mocht hem gaarne horen. Hij preekt nu nog, maar wegens het kerkelijk conflict nu enige jaren geleden is hij nu bij de Christelijk Gereformeerde Kerk en staat nog in Veenendaal.

Trouwens kende ik hem, daar hij tijdens mijn werkzaamheden op Yerseke in die jaren student was en er nog geen Theologische school was en dan bij Dominee Kersten aan huis zijn studie heeft volbracht. Daardoor ontmoette ik hem nog wel eens ten huize van Ma Waverijn. Maar gelukkig kwam hier aan nu een eind. Ik heb hen sinds niet meer gehoord als toen hij tijdens een vacature tussen Dominee v/d Berg en Dominee Bel hier op Krabbendijke eens een Zondag heeft gepreekt.

Zo als gezegd was de toestand van mijn lieve Vrouw van dien aard dat zij met haar benen steevast op een stoel moest blijven zitten, want de dokter dreigde met de dood als zij het niet deed.

Wanneer die trombose zou verder gaan en haar hart zou aantasten was het onherroepelijk verloren. Je begrijpt welk een angst ons om het hart sloeg en dat we deze raadgevingen niet veronachtzaamden, maar stipt opvolgden.

Het is door Gods goedheid zoals hierna zal blijken dan ook volkomen goed uitgekomen, al heeft ze met haar benen tot haar 60ste jaar veel gesukkeld.

Echter op 8 september moest ik weer terug in dienst, maar op advies van de dokter werd het telkens weer verlengd. Ik deed dus de zaken en paste haar zo goed mogelijk op en hield ze goed in de gaten, daar zij geen geest had or hele dagen zo maar te zitten. Maar ze was ook erg bang en dus viel het wel mee.

Toen brak de maand oktober aan en dat was een maand om nooit meer te vergeten. De Spaanse griep kwam toen veel heviger en veel erger terug en stierven er veel zeer veel mensen, vooral veel jonge mensen. Het is gebeurd dat 4 grote mensen op een middag in Krabbendijke werden begraven en in Amsterdam en Rotterdam soms 200 op een dag. Alle werkzaamheden  lagen zo wat stil en als ik dan 's morgens de voordeur opendeed was het akelig naar om aan te zien. Een geheel uitgestorven straat, stil en haast geen mens te zien. Dan dachten we: wie zou er nu weer in droefheid terneer zitten. Want het gebeurde dat iemand, die 's avonds gezond en wel naar zijn bed ging 's morgen al dood was.

We zagen dan die kille ochtendnevel en de dode bladeren over de weg dwarrelen en slechts een heel enkel mens op de straat zo af en toe. Het was een soort longenpest, zo ze dat in die tijd noemden. Kwam met zeer hoge koortsen, de lijders konden deze niet doorstaan en enkele uren na hun overlijden werden ze geheel zwart. Er zijn er ook die het er bovenop gekomen zijn, maar die hebben jaren gesukkeld. Het was een vreselijke tijd en Gods oordelen rusten wel zeer zwaar op ons volk. Maar de Heere heeft ons wonderlijk en wel gespaard, temeer daar er nog bij kwam dat het zeer besmettelijke ziekte was. Men moest dus niet al te veel met zulk een lijder of lijderes in aanraking komen of men kreeg het ook. Er waren hele gezinnen die

 

34

 

op bed lagen. Hulp was niet te krijgen en moesten soms velen zo maar wat slepend hun allernoodzakelijkste werkzaamheden doen.

En wij zaten in spanning te wachten op ons tweede kindje. Ik kreeg zelf ook die ziekte, zij het gelukkig in lichte mate, maar mocht toch van de dokter niet naar buiten. Hoe moest dat dan gaan als het kindje zou komen?

Gelukkig hadden we een goede baker, weer de oude Coba Koster-de Kok en zij kwam nog al eens kijken, daar ze zelf gelukkig goed was. Daar ze toch recht tegenover woonden was het zeer gemakkelijk. Eindelijk op 23 oktober was het zo ver en werd haar een meisje geboren. Er kwamen twee dokters tegelijk, want Dokter Geill kwam ook nog eens mee samen met Dokter Hondelink.

Maar het ging gelukkig alles goed en wij waren zeer verblijd, temeer omdat het nu een meisje was. Ik was dus de oude Kees en zij het oude Pietje. Aangeven op het Gemeentehuis mocht ik niet van de dokter en toen heeft Coba het maar gedaan. Zij moest op een afstand van wel 3 of 4 meter van de secretaris blijven staan zo bang was hij voor besmetting van de griep. Gelukkig was ik gauw beter en kon mijn werk weer gaan doen. Buiten was er toch niets meer te doen, dus was ik toch altijd binnen.

Begin november begon die gevreesde ziekte af te nemen en had de engel des doods zijn uitgetrokken zwaard in de schede gestoken daar er vele honderdduizenden door zijn weggemaaid. In ieder geval de grote spotters met die ziekte waren hun mond gestopt of zelf weggerukt.

Wij waren door Gods goedheid alle weer beter en ook in onze familieën was geen enkel slachtoffer gevallen. Ook geen nadelige gevolgen er van over gehouden, hoewel zulks bij velen het geval wel was.

Intussen was de oorlog geëindigd, daar op 11 november de vrede getekend was in een bos ergens in Frankrijk.

De Duitse Keizer hadden ze weggejaagd en was in Nederland aangekomen en ook hier in Nederland was het oproerige element goed in actie. Het was in die woelige Novemberdagen dat evenals in Duitsland de revolutie hier was uitgebroken en dat ook hier trachtte ons oude Oranjehuis weg te jagen.

God had het anders voorzien en tot op heden staat het er nog en zijn ze nog bij ons. Het volk was nu nog vaster aan zijn Koninklijk huis verbonden. Er zijn talrijke boeken daarover geschreven. Ik ga hier dus niet verder op in.

De demobilisatie werd dus officieel afgekondigd en ik kreeg het navolgende bewijs toen ik moest af gaan zwaaien naar Kruiningen, waar naar ik in die tijd van mijn buitengewoon verlof nog was overgeplaatst. Stelling Zandijk.

KONINKRIJK DER NEDERLANDEN.

Bewijs van vervulden dienst, bij den landstorm uitgereikt aan Van Velzen, Cornelis geboren te Krabbendijke, den 15en Februari 1889 in de gemeente Krabbendijke, ingeschreven staande in het inschrijvingsregister v/d landstorm model I jaarklasse 1909 onder volno.3 die de 1sten Mei 1917 in werkelijken dienst werd gesteld uit de gemeente Krabbendijke als landstormplichtige vg A in de positie gelijk gesteld met rang van kannonnier en den 19e nov. 1918 wegens volbrachten (voorshands) werkelijken dienst (Demob.) huiswaarts is gezonden.

Te Willemstad, den 30 en November 1920.

De Commandantr,

2-II-4e-R.Vg.A.

F. Kôhlbrugge.

Dit bewijs kwam dus pas twee jaar later.

Ik ben dus naar huis gezonden, waarover ik geen spijt betoonde. Kreeg nog al die dagen dat ik met verlof was geweest achterstallige soldij en kost-

 

35

 

vergoeding, zodat ik nog voor die tijd een aardig bedragje meebracht.

Ik kon mij dus nu geheel aan de zaak gaan wijden en deze zo mogelijk wat uit gaan breiden. Echter waren de tijd kommervol. Alles op bonnen geen kolen, geen handel, daar zeer veel vernield was met de onderzeeboten en de handel totaal lam lag.

Op kerkelijk gebied was weinig veranderd. Alleen werd ik in die winter tot Notabel in het Kerkbestuur gekozen, wat ons niet veel plezier heeft opgeleverd, zoals hierna wel zal blijken. Ook in deze kon ik niet alles beamen wat er geschiedde en kwam ik alras over principiële vraagstukken in conflict.

Ook dit jaar zou voor ons een gedenkwaardig worden. Begin van het jaar liet ik me overhalen mede door toedoen van Dominee Muller om een Zondagsschool op te richten. Hier werd ik in het Bestuur gekozen met nog Jan van Baren. Piet Smit, Jacs. van Bremen, Piet Leijs en Johs. Benou. Ik was secretaris der Ver. en hield de eerste les, wat mij een dezer dagen nog in herinnering werd gebracht door J. van Baren.

Weet je nog waar je over handelde? Ja, dat wist ik nog goed en klopte precies. Het 40 -jarig bestaan is dit voorjaar herdacht. Toch zou dit ook verkeerd lopen, daar mijn ligging op dat gebied te ver uit elkaar lag met de anderen, uitgezonder dan de heer Jacs. van Bremen. Ook hij is al vroeg er uit gegaan.

We komen hierop nader nog terug.

Het was omstreeks Biddag in dat jaar dat we weer plannen gingen opvatten voor een drukkerij. Er kwam een vertegenwoordiger van de Lettergieterij Amsterdam, een zekere Heer Van Mannen, wiens brieven daarover wij nog hebben en natuurlijk de centen er voor. Want in dien tijd waren de prijzen jammerlijk hoog opgelopen. Precies op Biddag kwam deze heer, waarop ik nu juist niet zo erg gesteld was, maar die man was daarmede niet op de hoogte en omdat toen ook alles maar per trein geschiedde konden we hem moeilijk weren. Wij zijn toen overeengekomen dat hij ons zo spoedig mogelijk de Drukkerij zou installeren. Wij kochten een Trapdegelpers, een Snijmachine, twee loketten met letterkasten, een zetsteen met de ksten voor witberging er onder. Dan diverse lettersoorten en al wat tot de installatie van een kleine Handelsdrukkerij nodig was. Een en ander kwam ons nu te staan op 4000 gulden dus aanmerkelijk meer dan voor de oorlog.

Maar de ook de prijzen van Drukwerk waren mede gestegen en we met ’s Heeren hulp begonnen, hoewel het ons nog al eens veel hoofdbrekens heeft gekost. Geld werd ons aangeboden door de Heer W. Sonke, met welke ik altijd op zeer goede voet stond en die ons en onze zaak zeer goed kende. Jaarlijks een aflossing met de rente en dan maar hard werken zo de Heere ons gezondheid en krachten gaf. Alles kwam voor elkaar en op dinsdag 6 mei arriveerde de hele zaak. Ik moest het echter zelf alles monteren, daar er veel te veel kosten bij kwamen om een monteur uit Amsterdam te laten komen.

Wij zijn begonnen op de zolder boven onze woonkamer. Daar was een grote voorkamer, welke er nog is, doch later in 2en door ons is verdeeld met een tussenschot. Dan was er een grote ruimte, daar waar nu de beide kamers zijn op het Zuiden. Hier ben ik begonnen. Het zou echter alras blijken dat zulks niet lang zou gaan, daar er al maar materiaal bijkwam en het te zwaar bleek voor de zolder, welke door ging buigen. De Heren Breker hebben mij geholpen alles naar boven te sjorren via het bovenraam in de gevel boven de winkel. Alles een plaatsje gegeven en nu ik maar gaan

 

36

 

drukken. De eerste bestelling die ik kreeg was van Dokter Hondelink en dat waren 100 visitekaarten, waar ik zo wat een dag over bezig was.

Doch doorzetten en volhouden. Ja, het degelpersje hebben we nog en is nog dagelijks in gebruik voor klein werk. Ik wil dit niet missen want het is een historisch stuk. Het ging echter algauw goed net het  werk. Ik vergaarde veel kennis uit boeken, die ik mij aanschafte en sloot mij direct aan bij de hond van Christelijke Drukkerspatroons in Nederland. waar ik veel gemak van gehad heb en die mij in alles met raad en daad bijstonden. Ook de Rayonbeheerder de Heer van den Berg kwan nog al eens die een oude drukker was en gaf mij dan aanwijzingen of ik schreef naar hem. Hij is dit jaar overleden en is 82 jaar oud geworden. Aan hem heb ik dus veel te danken gehad in deze voor soms erg moeilijke tijden. Tot op heden zijn we daarvan nog lid en hebben met al die collega's altijd genoegelijk samen gewerkt.

Nu even terug tot ons gezinsleven. Zoals gemeld was de kleine Pie geboren in oktober. Maar helaas waren de tijden voor de verpleging

en verzorging van kleine baby’s over 40 jaar nog lange niet wat ze nu zijn en met haar hebben we dan ook veel moeten sukkelen, tot ze zo wat een maand of 9 was. Ze kreeg namelijk een soort eczeem of huiduitslag onder haar kin en hals, zodat het soms zo erg was dat alles open was.

Dat was een ontzettende verzorging en veel werk aan. Ook kon zij dan slecht slapen en moesten we er ’s nachts nog al eens voor uit bed. Toen omstreeks Pasen in het voorjaar van 1919 kwam daar nog bij dat ze erg de stuipen kreeg. Het was 19 maal op die tweede Paasdag.

Begrijpelijk dat we er zeer mee inzaten en ongerust dat ze daar in zou blijven. De dokter zei dat we ze maar stil moeten laten liggen en dan ging het weer over. Maar nauwelijks over of dan begon het weer opnieuw. Wat zat haar lieve Moeder daar mee in. Ik wist soms ook geen raad met haar. We hadden ook die dag veel bezoek, maar dat juist ook verbood de dokter. Wat een bange tijd hebben we toen beleefd. Maar Goddank, de Heere gaf uitkomst en ze was er weer gauw bovenop, Een paar weken naderhand heeft ze het nog een paar keer gehad, maar daarna is het niet meer gebeurd en groeide ze ook lekker. De Zomer kwam aan en er veel mee naar buiten of achter en dat deed haar goed.

Kees was intussen 4 jaar en al een hele vent. Daar hadden we niet veel last mee. Speelde hele dagen buiten of op de straat, want autoverkeer was er toen nog niet.

Ook was er in die tussentijd gasverlichting gekomen, zodat we onze oude stinkende petroleumlampen alle opgeruimd hebben alleen de petroleumstellen bleven aan. Later hebben we een gasstel gekocht Boven had ik ook gas aan laten leggen daar ik ook zeer veel 's avonds moest werken.

Maar de toestand in de wereld ging er niet op vooruit en het was toen overal slapte in de handel, werkeloosheid, malaise zo ze dat toen noemden en daardoor ging de handel er ook niet op vooruit. Daar kwam nog bij, dat van een Vestigingswet geen sprake was en de zaken en zaakjes als paddestoelen uit de grond rezen. Wie op het land geen werk meer kon vinden, geen nood die begon maar een handeltje.

Het is toen gebeurd dat er 52 zaken waren op Krabbendijke, die Tabak en Sigaren verkochten. Begrijpelijk dat het noch voor de één, noch voor de ander wat was. We hadden nog tijden meegemaakt dat we maar met 3 man waren die zulk een vergunning hadden. Er zijn dan toen de zogenaamde inzinking kwam ook gauw een heel stel verdwenen.

Zo komen we weer aan het jaar 1920, wat ons weinig belangrijks heeft voor daan, alleen in het late najaar werd ons weer de heugelijke tijding dat er een baby op komst was en verwacht ver tegen half de zomer.

In het voorjaar van 1921 overleed Pietje haar zuster namelijk Miene, die

 

37

 

zo als reeds gemeld was getrouwd met Piet Smit. Zij was nog slechts 40 jaar oud en heeft maar kort ziek geweest. Zij heeft daar echter niet veel leed over gedragen, hoewel het haar enige zuster was, daar zij een minder aangename verstandhouding tijdens haar leven aan de dag had gelegd.

Maar in ieder geval het was haar zuster en scheiden doet toch pijn. Zij was toen hoog in verwachting, maar de dokter constateerde dat alles goed was. Voor ons dus een blijde mededeling in deze omstandigheden.

Op donderdagmorgen 9 juni werd ons een jongen geboren in de vroegte en we kwamen overeen dat hij Liza zou heten naar mijn Moeder. Wat waren we blij. Eerst een jongen, toen een meisje en nu weer een jongen. Kees zou in september 6 jaar worden en Pie in oktober 3 jaar. Ze groeiden goed en we konden ze gelukkig van alles voorzien, daar de zaken toch niettegenstaande de malaise goed gingen. We konden elk jaar goed op onze hypotheek aflossen en de rente voldoen. Zo doende werden de gewone lasten elk jaar minder.

In die tussentijd was Zuster Trui weggegaan en naar Jacs. Verlare gaan dienen en was in die tijd Miene Smit bij ons gekomen, daar Piet Snoep in 1919 met Maria de Kok was getrouwd. Zij heeft bij ons gewoond tot aan de dag van haar trouwen met Marien van de Broeke. Zij heeft alle kinderen zo wat ongeveer op helpen kweken, uitgezonderd Gerard, toe ze zelf al gehuwd was.

In 1921 was ook vertrokken Dominee Muller, welke een beroep had aangenomen naar Kerkdriel. Wij hadden zeer veel vriendschap van hem ondervonden en ook van zijn Moeder, welke hier ook gestorven is. Maar toch stond ons zijn leer niet aan. We verkochten in die tijd ook veel oude schrijvers en ik las die ook graag en Pietje ook.

Zodoende was de leer die wij hoorden in de Kerk daar een groot verschil mee. Daar kwam nog bij dat de predikant die zijn opvolger was een erge vijand was van de oude Waarheid en waar ik alras mee in conflict kwam, temeer daar ik zoals gemeld ook in het Kerkbestuur

zat en ik hem dus nog al eens ontmoeten moest. We waren toen met 2 tegenstanders van zijn leer, namelijk ook Kees Berman. Zijn weduwe leeft nog en dan hadden we met z’n 2en tegen 12 man te vechten. Te begrijpen dat ik daar nog al eens mee te sturen had. We hebben toen hier nog een afdeling gehad van de Gereformeerde Bond in de Hervormde Kerk en lieten dan predikanten van die richting komen in de Openbare School, daar de consistorie ons geweigerd werd.

Maar Zondags gingen we als Dominee Kersten kwam of anders bij de Heer Remijn naar de Gereformeerde Gemeente. Nu was dit voor mij niet zo gemakkelijk daar ik nog steeds Notabel was. Maar Pietje ging al gauw helemaal niet meer en ik ging dan ’s avonds naar Remijn. Maar zij ging soms wel 2 of als ze kon wel 3 maal.

Ik heb dus eindelijk besloten mijn baantje er aan te geven en ook van leider van de Zondagsschool.

Toen in 1922 kwamen wij weer voor moeilijkheden te staan. Kees zou 1 Mei naar school moeten. Ik was erg goed bevriend met het Hoofd der School van de Openbare, maar ook van de School met de Bijbel. De eerste was de Heer M. Nieuwenhuijse en de tweede Meester Jan de Koning. Ze zaten er beide achter, want de schoolstrijd woedde toen op Krabbendijke nog erg. Als er dus een leerplichtig kind was dan had je ze bij je. Nu was het voor mij niet zo gemakkelijk, daar ik aan beide de leverantie van schoolbehoeften had en dat was niet zo weinig in die tijd. Maar gelukkig kwam er gauw een oplossing. Er was namelijk aan de Openbare School een onderwijzeres, die een vurige Sociaal Democrate was en een Godloochenaar bovendien. Zij brak de school meer af, dan dat ze die opbouwde. Meester Nieuwenhuijse kwam naar me toe en hij zei: Ik kan zeker wel op Kees rekenen. Ik zegde hem, neen dat zal niet doorgaan. Ik deelde hem toen die omstandigheden mede en hij kon zulks goed begrijpen, maar ik kan ze ook niet wegjagen, zei hij, hoewel hij er veel last mee had. Trouwens was ik zelf voorstander ook van

 

38

 

Christelijk onderwijs, zodat het al gauw beslist was. Kees is tot hij naar de H.B.S. in Goes gegaan is daar dan ook op geweest en leerde goed bij Meester de Koning. We hebben in ons familiealbum verschillende foto’s waar hij en Pie op staan uit hun schooljaren.

Ik ben zelf in die tijd toen nog als bestuurslid van die school gekozen en heb daar genoegelijk samen gewerkt met Gerard van Harn, die toen voorzitter was en Burgemeester Schwarts, die sekretaris was en de oude Heer Machiel Smallegange en Jan Vogelaar. Ik ben dit gebleven tot een jaar na het vertrek van Meester de Koning.

Toen in het voorjaar van 1923 kondigde het vierde kind zich aan en op zondag 11 november werd Bets geboren. Een erge koude dag en zij werd volgens de dokter 3 weken te laat geboren. Maar gelukkig heeft de Heere alles toch nog wel uit doen lopen.

Zij is voorspoedig opgegroeid en we waren allebei en de kinderen even blij. Nu was het weer een meisje. Zij moest weer naar Moeder heten en was een Betje. Wat was ze daar trots op en Pie blij want die was nu 5 jaar en dan een zusje.

En zo komen we dan aan 1924. Dit zou voor ons weer een jaar worden van veel veranderingen.

Het liep op kerkelijk gebied geheel mis met de Hervormde kerk. De leer die de dominee Dekker bracht kon ik totaal niet mee overweg, daar kwam nog bij dat hij hier op Krabbendijke een schoolstrijd ging ontwikkelen die veel vijandschap heeft gewrocht. Hij ging namelijk een Hervormde School oprichten. De pamfletten uit die tijd en die waren niet mals van die tegenstanders zijn alle nog in mijn bezit. Dat was een daad die hier veel kwaad bloed zette en daar kwam nog bij hij was een zeer onsympathieke kerel ook. Op kerkelijk gebied raakten we dus in ruzie met hem.

Daar kwam bij dat Pietje er allang mee gebroken had om naar de Kerk te gaan. Zij ging altijd bij de Heer Remijn en Liza hebben we nog laten dopen in de Hervormde Kerk, maar Bets was nog niet gedoopt.

Toen in dat voorjaar is Dominee Hofman naar Krabbendijke gekomen en zijn we in de loop van de zomer als lid der Gereformeerde Gemeente aangenomen. We konden zo over geschreven worden. Nu gaat dit niet neer. Zeer veel haat en nijd hebben we daardoor moeten ondervinden, vooral van de zijde van die voormannen, die de lakens in de Hervormde Kerk uitdeelden.

Het was in die tijd (na mijn lieve Vrouw's dood) zou ik dit pas te weten komen) dat zij tegenover Leu van Alten bekende dat haar keus tussen de Heere en haar ziel gemaakt was en dat zij voor Hem gekozen had met de voorden uit Psalm 50 : Ik God, ben Uw God.

Zij leefde zeer ingetogen in die tijd, dat herinner ik me nog goed on we praten veel over deze dingen en stelden ons vertrouwen in Hem, die ons al die jaren zeer rijkelijk had gezegend en ons niet zou beschaamd doen uitkomen, al was het dan ook soms wel eens moeilijk, en kwam soms het water tot aan de lippen.

Zij was op dat gebied veel lijdelijker dan ik. Ik kwam nog al eens in opstand, vooral als men er op uit is, iemand in zijn bestaan te treffen, daar ze het op geestelijk gebied niet konden.

In dien tijd praatten we ook veel met Ouderling Sonke, een oprechte bekeerde man en die werkte daar nog al veel bij ons achter in de tuin van Meester Smit, onze buren, die ook in dat jaar is gestorven. Zij hoorde hem ook zeer gaarne en heeft van hem veel onderricht gehad.

Ook kwamen de Ouderlingen Bartel Meeuwsen en Marien de Bat veel bij ons. We hadden dus onze keus gemaakt en er nimmer spijt van gehad, al is het nu ook al niet meer zo als toen.  

Zij had zeer veel met het echte volk op en ging ze ook nog al dikwijls opzoeken. Wat is zeer veel naar Yerseke geweest naar haar Neef Nollesje Snoep. En dan al die bekeerde mensen met hem op gaan zoeken. Ook herinneren we ons dat zij in die tijd nog eens met Pie naar Benthuizen is geweest

 

 

39

 

Daar stond toen in de Nederland Hervormde Kerk Dominee W.L. Mulder, een man, die wij goed kenden, daar hij eens op een Zondag hier door zeer wonderlijke leiding Gods hier in de vacature van Dominee Muller op Dominee Dekker had gepreekt.

Hij was een Godvrezende leraar, die nog de oude Waarheid verkondigde en die toen bij ons een paar nachten heeft geslapen, daar hij volstrekt niet op Zondag reisde. Wij hebben toen een aangename en onvergetelijke dag met hem hier beleefd. Hij had 's morgens gepreekt uit Jer. 21 ; 8 waar de Profeet de weg des levens en de weg des doods voorstelt. Zij had hier uit veel genoten en veel met hem er over gepraat. Reden temeer dat zij hem later nog eens is wezen opzoeken. Hij is deze zomer met zijn vrouw nog hier geweest, maar helaas hebben ze haar toen niet meer mogen aantreffen. Wel is hij even na de oorlog ook nog eens op een doorreis hier geweest. Na haar overlijden hebben we van hem nog een hartelijk briefje gehad. Zij was in die dagen er van doordrongen dat ze een Borg voor haar schuld nodig had en dat zij die alleen in Christus kon deelachtig worden. Wij hebben daar veel met elkaar overgesproken.

Moge het zijn dat ze nu de zalige vrucht er van mag genieten.

Toen in 1925 op woensdag 5 augustus is Mientje geboren, waarmee we allen weer zeer blij waren. Ze groeiden allen goed en leren ging ook uitstekend.

Kees moest al klaar gemaakt worden om naar de H.B.S. in Goes te gaan. Hij wilde graag leren en ik wilde zelf dit ook graag, daar ik van me zelf wist dat ik ook altijd nog maar kennis te kort kwam. Men kan nooit te veel leren en op later leeftijd is dit een groot gemak en kan men er zijn voordeel mee doen. Wel waren de tijdsomstandigheden toen niet zo gunstig, maar met enige opoffering moest dat ook dan maar weer.

Meester de Koning heeft hem dan ook zo vlug mogelijk daarvoor klaar gemaakt en hij ook had daar wel moed op dat hij zulks zou kunnen. We keren nu weer even terug tot ons dagelijkse werk en aangelegenheden. Ik zelf had al enkele maanden veel last van asthma-aanvallen en dat was soms zo hevig dat ik van de dokter injecties kreeg. Had het dan zo benauwd tot stikkens toe. Was vreselijk, maar na zo een injectie ging het dan weer over. Begrijpelijk dat we daar mee in zaten. Was voor mijn werk ook niet makkelijk, daar ik altijd binnen zat. Ik heb daar jaren zeer veel ongemak van gehad en tot op heden is dat nog niet weg, daar de kortademigheid zo af en toe zich nog laat gevoelen. Het is gebeurd dat ze midden in de nacht de dokter moesten opbellen, dat het zo erg was. Maar gelukkig is dit ook weer in die erge mate overgegaan.

De drukkerij was goed en in die tijd zijn we dan ook van boven naar de ruimte achter het achterhuis gegaan, daar we al maar meer materiaal kregen en de zolder het niet meer kon dragen, Wij hebben dat toen daar netjes ingericht en het schot dat het in het achterhuis stond uitgebroken, zo dat we een ruim achterhuis kregen, daar ons gezin al zo veel was uitgebreid dat dit achterhuis te klein werd. In de eindgevel op de Zuidzijde heb ik toen nog een grotere kozijn geplaatst voor meer licht daar er vroeger maar een gewoon luik in was.

Ik stond daar nu zeer gemakkelijk en ruim. Boven heb ik toen nog een paar kamertjes er bij gemaakt, zo als er nu nog zijn. We hadden dus nu boven 4 kamers groot en klein.

Op kerkelijk gebied woedde nog altijd de vijandschap, maar we trokken daar ons zelf niks van aan. Aan de andere zijde hadden we weer een hele hoop vrienden die ons in alles steunden. Eén der ergste is slechts een paar maanden nadat wij bij Dominee Hofman kerkten en aangenomen waren aan een vreselijke ziekte gestorven, zodat bij zijn begrafenis de stank niet uit te houden was. Wij zullen de laatste wezen die dit hieraan toeschrijven omdat hij de oude Waarheid niet kon verdragen, maar voor ons was het een aansporing om in die weg getrouw te blijven en de dreiging die hij nog op het laatst van zijn leven de wereld inslingerde om net zulk een zaak

 

 

40

 

als wij tegenover ons te beginnen en daar dan een van zijn slaafse vazallen in te zetten. Het was niet neer nodig. God sprak en hij moest hier alles nalaten. We hebben dat alles toen maar aan God overgelaten. Ons komt het oordeel niet toe, maar het gaf ons wel een wenk om de weg die wij gekozen hadden op kerkelijk gebied volstandig vast te houden.

We hebben in die dagen nog al eens gezongen: Diepe Wijsheid zijn Uw paden, Zijn uw wegen altemaal. Zijn ze zuurheid zijn ze zoetheid, Wij aanbidden, zwijgen stil,  Want de Wezelijke goedheid, Maakt het goed met dat Hij wil. Deze verzen van Lodenstein hebben we nog al eens gelezen samen ook.

Want wanneer de duivel er op los kwam, kon het soms wel eens moeilijk wezen. Het waren op geestelijk gebied voor ons niet de slechtste jaren.

We kregen in die tijd ook weer andere moeilijkheden op schoolgebied. Er was namelijk een school opgericht van de Gereformeerde Gemeente aan de Julianastraat, maar daar ik zelf bestuurslid was van de School aan de Wilhelminastraat en de oprichting, althans de wijze waarop zij dit gedaan hadden, niet kon toe juichen, konden wij onze kinderen daaraan niet geven. Daar kwam nog bij dat schoolhoofd dat ze toen hadden stond ons in het geheel niet aan om mijn kinderen daaraan toe te vertrouwen. Later is het uitgekomen ook daar hij geheel met de Gereformeerde Gemeenten en de S.G.P. heeft gebroken en tot de Partij van de Arbeid is overgegaan. Hij is voor die partij later Burgemeester geworden van Zuid-Beyerland, maar is al enkele jaren overleden.

Dat leek ons dus niet en omdat we uit de Hervormde Kerk getreden waren om de Waarheidswille konden we zo maar niet zonder meer op alles onze goedkeuring geven. Wij waren op dit punt veel te teer en gaven zo maar niet in eens alles voetstoots toe. Daar kwam nog bij dat ze met een grote schuld van de School met de Bijbel waren weggelopen, die hun kinderen hadden opgeleid en daarvoor grote financiële offers hadden opgebracht, daar voor 1920 geen gelijkstelling van onderwijs was en dus alle kosten door de ouders moesten worden gedragen. Ook hun kinderen hadden daarvan geprofiteerd. Maar van kwijtschelding was in deze geen sprake.

Wij bleven dus met onze kinderen waar ze waren, en gingen niet mee. Ook weer niet makkelijk. Maar ook hierin zou de Heere zelf later weer de weg banen en wel zonder moeite. Want enkele jaren later moest Meester de Koning wegens lichaamsgebreken ontslag nemen en kreeg hij Meester van Hekken in zijn plaats. Deze was op verre na niet wat zijn voorganger was en begon de politiek in de school te brengen, iets waar ik fel tegen gekant was. Ik heb toen mijn ontslag genomen als bestuurslid en ook was in die tussentijd de Heer Timmerman, welke boven beschreven is als hoofd der School aan de Julianastraat vertrokken.

In zijn plaats is gekomen de Heer C. van Houdt en toen meenden we dat de tijd voor ons gekomen was om van school te veranderen, wat we toen ook gedaan hebben. Liza en Bets en Mientje zijn dan ook op die school geweest.

We hebben zeer vriendschappelijk afscheid genomen van het bestuur der school en ze konden het ons toch uiteindelijk ook weer niet kwalijk nemen, al vonden ze het vanzelf jammer dat we weggingen.

Ik had zelf al die jaren genoegelijk met hen samen gewerkt en ook nog eens een keer als afgevaardigde der school een Vergadering bijgewoond van de Unie een school met de Bijbel in Utrecht.

Kerkelijk hadden we het goed naar ons zin en ook mijn lieve Vrouw en moeder ging ook zeer gaarne naar de kerk. Als we dan Zondagsmorgens uit de kerk thuis kwamen, had ze alles al in orde en zat ze een preek te lezen uit één of andere oude schrijver en ze kon het dan nog goed vertellen ook.

We mogen dat alles nu niet aanmerken als grond van zaligheid maar we hebben het samen dikwijls gezegd : In het houden van Gods geboden is grote loon. Zij was ook erg stipt op de zondagsviering en hebben wij daarvan gelukkig met onze kinderen nooit veel last mee gehad. Zij wist

 

41

 

het de kinderen zo aangenaam mogelijk te maken en recht gezellig te onderhouden. We hebben later een mooi huisorgel gekocht, waarop ze allen hebben leren spelen en dan zongen we Zondags veel. Zingen deden ze allen gaarne.

Zo waren de zondagen altijd recht gezellige dagen en de tijd vloog om.

In die tijd hadden we nog een zoon van Dominee Hofman aangenomen als leerling in de drukkerij, namelijk Albert, maar dat heeft niet lang geduurd. Hij moest volgens zijn moeder te hard werken en daar hij niet tegen kon. Nou het was bij ons niet met slapen te krijgen en werken waren wij gewoon. Met treuzelen of slakkegangetjes was ik niet groot gebracht en mijn vrouw ook niet. Dat was dus een mislukking bij ons, maar omdat Dominee Hofman met hem geen raad wist en hij al 16 jaar oud was, zeide ik tegen hem laat hij dan maar naar ons komen. Ik heb werk genoeg en was toch ook maar alleen. Maar het liep op niks uit.

In 1927 is Kees dus naar de H.B.S. naar Goes gegaan, nadat hij toelatingsexamen gedaan had. Hij was een van de jongste die er op waren. Zoals wij reeds eerder schreven was deze tijd een zeer slechte voor handel en voor neringdoenden. Ontzettend veel werkeloosheid, slapte in bedrijven en in de handel. In onze winkel was het dan ook niet erg druk met de verkoop. Er waren in die dagen soms 130 werkelozen, die dan op het Gemeentehuis moesten komen om te stempelen. Zij kregen dan 8 gulden 40 cent per week. Wel te begrijpen dat er dan voor de Boekhandel niet veel over schoot.

Ze verkochten dan op het Gemeentehuis vis en goedkope boter voor 11 cent per pakje. En bussen vlees enz. enz. Het is die dagen wel gebeurd dat we maar 1 gulden per dag 's avonds uit de winkel haalden.

Beroerde, akelige tijden en dit was zo over de hele wereld.

Kees moest er dus wat bij verdienen en dat deed hij dan ook. Elke maand 9 gulden voor de trein en koffie drinken in Goes. Nou dat was me in die tijd een bedrag. Nu hadden we in die tijd een agentschap van het Algemeen Dagblad en deze moesten dan elke avond aan de trein worden afgehaald en besteld worden tot op Gawege toe.

Als hij dan ’s avonds uit Goes thuis kwam, moest hij eerst voordat hij zijn lessen ging leren, die kranten bezorgen, wat hij vlug kon, soms in een half uur. Maar door weer en wind moest dit gebeuren. Nu was zulks in de winter geen baan. Maar de tanden op elkaar en volhouden. Wat hij dan ook goed gedaan heeft. Het leren ging goed en ook met Pie en Liza ging het best. Zij deden goed hun best en ook Kees zeker, daar hij wel zo veel begreep, dat wij hem niet uit weelde of uit plezier lieten leren.

Zo naderden we dan het jaar 1930. In de zomer van 1929 kregen de heugelijke tijding van onze lieve Vrouw en Moeder, dat zij in blijde verwachting was, iets waar we gans niet meer op berekend waren, daar in augustus Mientje 5 jaar zou worden. Toch waren wij allen zeer verblijd, dat zou dus een nakomertje worden. Zij zou in het jaar 1930 zelf 40 jaar worden, dus hadden we op zo iets niet meer gerekend. Maar het was goed en we hoopten nu maar dat de Heere alles weer goed mogt doen uitkomen.

Intussen waren er op kerkelijk gebied grote veranderingen gebeurd. De kerk namelijk op het dorp was te klein geworden en er was besloten om een geheel nieuwe te bouwen op een terrein aan de Zuidweg. Op 2e Pinksterdag 1929 werd dan ook door Dominee Hofman de eerste steen daarvan gelegd en op het einde des jaars zou ze klaar moeten wezen. Het zou echter een paar weken later worden.

Zo gingen we 1930 in. Op 19 januari werd voor de laatste keer in de oude kerk dienst gehouden. En juist op die avond toen de laatste dienst door Dominee Hofman er in gehouden werd, konden we er niet meer naar toe, daar het zo ver was dat Gerard geboren werd precies op diezelfde avond. De kinderen kwamen uit de kerk en direct maar naar bed. Wat vooral niet naar Liza zijn zin was. Kees en Pie wisten dit wel, maar hij had daar nog zo geen erg in. Hij hield erg veel van zijn Moeder en hij hoorde ze, daar ze alle beneden in de bedstede geboren zijn, zo ook nu. Hij zei tegen Kees (deze

 

42

 

heeft dat later nog al eens opgehaald) ik moet naar Moeder toe. Kees zei toen tegen hem, jo, dat kan niet : er komt een kleine. Toen was het goed bij hem. Maar een half uurtje later was het zo ver en toen mochten ze allen naar beneden komen. Ze waren uitgelaten van blijdschap, temeer omdat het nu weer een jongen was. Wat was Moeder daarmee in haar schik. Kees was toen 14, Pie 11, Liza 8, Bets 6 en Mientje 4 jaar oud. Het was nu 3 jongens en 3 meisjes.

Voor het grootste gedeelte heeft Pie de opvoeding van Gerard voor haar rekening genomen. Dat was een kolfje naar haar hand, met kleine kinderen omgaan en van alles er voor maken enz. Want een paar jaar van te voren was Miene Smit getrouwd en was toen in Vrouwenpolder gaan wonen met haar man en zij had toen zelf ook al een paar kinderen. Onze meisjes moesten er dus vroeg aan geloven om met haar Moeder nee te werken. Nou ze deden het graag en werden het ook wel geleerd.

In die tijd heb ik voor hen achter in de tuin, daar was vroeger jaren een mestvaalt, die ik alras heb opgeruimd, een mooi speelhuisje gebouwd, met raampjes en een deur er in. Ze hebben dat toen zelf geheel bemeubeld met tafel en stoeltjes en een zitbank langs de wand. Echt gezellig huis waar we Zondags zelf ook nog al eens inzaten en veel vriendinnetjes natuurlijk. Dat was voor hen iets geweldige mooi. Voor de raampjes hadden ze gordijntjes gehangen, kortom alles als een gewone kamer ingericht.

Voor Lisa heb ik toen een miniatuur boerenschuur gemaakt. Hij had zoals toen natuurlijk gebruikelijk was paarden en een wagen. Hij stopte in de zomer dat schuurtje vol met hooi. Van de bleek en dan in kleine schoven en zo de schuur in. Hij heeft daar veel in gespeeld, alleen was de grote vreugd er af, toen op een zekere keer als het vol hooi zat en hij er in zat te tasten een grote rat over zijn arm naar buiten sprong.

Toch was het een aangename tijd voor hen en ik had alles in steentjeskleuren geschilderd, zodat een en ander net echt was. Ook Gerard heeft veel in dat huisje gespeeld. We hebben in ons familiealbum verschillende foto’s waarop zij met dat huisje zijn gefotografeerd. Een mooie herinnering uit hun jeugd. Ook voor de buurjongens van Elenbaas moest ik toen ter tijd precies zo een schuurtje maken. Toen Liza wat ouder werd is hij vogels gaan houden, in een kooi die ik tegen het Gemeentehuis aangebouwd had. Later is alles opgeruimd moeten worden door de Verbouwing van het Gemeentehuis.

Ook hadden we in 1927 andere buren gekregen, daar Meester Smit weggegaan is naar Vlissingen, daar hij met pensioen ging. We kregen toen de Familie Vermeule. Dat hele huis is toen verbouwd, maar die man heeft er zelf maar 4 maanden in mogen wonen, daar toen ik op een avond in het achterhuis aan het schrijven was, werd de deur opengegooid en riep zijn dochter : Van Velzen, kom eens gauw want Vader doet zo raar. Ik direct mee, maar toen ik bij hem kwam, was hij al overleden. Ik maakte direct zijn kleren los en voelde zijn pols en naar zijn hart, maar alles stond al stil.

Nou veel dankbaarheid hebben we daarvan niet beleefd, want dit was een stelletje zeer lastige en onaangenaam buren. We hebben daar niet veel plezier van beleefd. Ze hebben er toch nog 4 jaar gewoond. Jaloezie en afgunst bleken daarvan wel de drijfveer te zijn. Wij vonden dit zeer jammer, daar we zulks nooit gewoon waren.

We krijgen nu de jaren 1930 tot 1940. Veel belangrijks is hier over afzonderlijk niet te melden.

In 1931 kregen we ook een nieuwe Burgemeester daar de Heer Welleman was afgezet. We kregen toen in zijn plaats Jhr. Mr. G.A. Strick van Linschoten, die nu Burgemeester van Zwolle is. Dat waren voor ons zeer beste buren. Wat hebben de jongens van ons en de meisjes zeer veel met elkaar omgegaan. Vooral zijn vrouw was een zeer best mens. Die jongens kwamen dan bij ons eten, wat ze feitelijk niet mochten van Papa en Mama, maar Moeder gaf ze altijd naar stiekem wat. Vooral een boterham met stroopvet

 

43

 

wat een lievelingskostje voor hen was, soms kwamen ze 's morgens vroeg al om mee te eten. We hebben daar zes jaren zeer prettige buren aan gehad en later is zijn vrouw nog wel eens bij ons geweest.

Tot 1936 is hij hier burgemeester geweest en toe vertrokken in dezelfde functie naar Zwollerkerspel.

In het jaar 1930 hebben we de verjaardag van Vader gevierd. Hij werd op 13 mei van dat jaar 80 jaar oud. Een heel feest dus. Zij woonden sinds 1927 in de "Baan" zoals dit vroeger altijd heette. Nu is het de Wilhelminastraat.

In 1927 namelijk zijn die huizen onteigend wegens de aanleg van de nieuwe Rijksweg en toen is heel de Meiboom afgebroken, daar ze precies in de weg stonden voor de snijding van die weg naar Rilland.

Heel de familie is toen op die dag bij elkaar geweest en ik heb toen dagen en weken, ja maanden vooraf bezig geweest om ons familieregister in elkaar te zetten, en op die dag heb ik dat dan ook voorgelezen. Het is nog steeds in ons bezit en de moeite waard om dat zo af en toe nog eens door te lezen. Het viel vanzelf goed in de smaak en was dan ook zeer interessant.

Helaas heeft Vader toen maar 3 jaar meer geleefd, maar toch mocht hij een zeer hoge ouderdom beleven. In de winter van 1933 op 16 december is hij overleden, des morgens om zeven uur. Hij had een hartziekte gekregen waaraan hij dan ook is gestorven.  Hij kwam zeer veel bij ons en moeder had altijd de koffie voor hem klaar staan. Hij heeft dan ook veel, ja zeer veel kopjes koffie bij haar gedronken. Zij hield veel van hem en hij van haar.

Dit jaar zou voor ons weer een jaar worden met ernstige belevenissen. Waren de tijden toen toch al niet zo erg rooskleurig en in zaken het ook niet erg voorspoedig ging.

In het late najaar zou ons een ongeval treffen met Bets, wat nooit meer vergeten zou worden, hoewel de Heere het wonderlijk

bestierd heeft met haar en zij nimmer letsel toch daarvan heeft overgehouden.

Zij ging toen met Mientje naar de school. Het was in de bietentijd en alles ging per spoor en met de boerenwagens werden die naar spoor vervoerd.

Het was op 12 november, op een maandagmorgen, juist was zij een dag daarvoor 11 jaar geworden. Zij gingen als gewoonlijk  ‘s morgens de deur uit, de straat oversteken bij ons natuurlijk en eerst uitkijken of er niks aankwam. Juist kwam er bij Zweedijk een wagen met bieten en zij meenden dat ze nog over konden, wat bij Mientje ook gelukte, maar laat nou net van achter die bietenwagen een auto voorbijschieten en Bets was te laat. Zij werd op de grond gesmakt en het wiel van die auto ging geheel over haar lichaam. Zij werd dus totaal overreden.

Het had die nacht erg geregend, zodat er veel plassen water op de weg stonden, waar zij in terecht kwam. Kees Nagelkerke, de melkboer zag dat en pakte ze dadelijk op, wat natuurlijk glad verkeerd was, maar die man dacht vanzelf goed te doen en ze uit het water weg te halen. Hij bracht ze in de winkel en wij schrokken geweldig. Direct naar het Ziekenhuis in Goes. Wat een toestand. We hebben toen een week in angstige spanning moeten verkeren.

Wat had de Heere nu weer met ons voor? Niemand die nog enige hoop gaf, zelfs de doktoren niet. We hebben toen de nacht in de wachtkamer van het ziekenhuis moeten doorbrengen, daar we niet weg mochten. Ze konden er niks aan doen. Opereren durfden ze niet, dus moesten we maar afwachten wat het werden zou. Ik moest ’s avonds bij de chirurgen komen. Ze waren met z’n drieën en slechts één gaf nog een weinig hoop. Ze lag apart in de kamer

 

44

 

juist naast de wachtkamer. De deur die daar in was hadden ze niet op slot gedaan en ik sloop dan stilletjes zo de hele nacht af en toe naar dat kamertje om te zien hoe zij het maakte. Maar het was een droevig gezicht ze zo te zien liggen. Ook kwam er geregeld een zuster kijken. Zij moest nogal eens overgeven en dan was het al geronnen bloed en naar om aan te zien. Ik vreesde dan ook elk ogenblik het ergste. ’s Morgens om 7 uur mocht ik even naar huis en dan om half negen weer terug. Maar de Heere heeft wonderen aan haar gedaan, zodat de doktoren er over verwonderd stonden.

Maar we zien hier ook weer, waar mensenhulp faalt, dat de Heere er boven stond. Hij heeft alles wel gemaakt, zodat we konden zingen toen zij reeds na 12 dagen in het Ziekenhuis te hebben gelegen naar huis mocht. Wat heeft zij daar een belangstelling en medeleven ondervonden. Ik geloof dat zij een 80 kaarten van de hele school en ettelijke brieven van familie en bekenden heeft gehad. Ook die man, die het ongeluk met haar heeft gehad meen zekere heer van Leeuwen uit Middelburg. Hij was vertegenwoordiger voor de welbekende zaak van Firma Wiener & Co. een grote Textielzaak aldaar. Hij zat er zeer veel mee in, hoewel hij er niets aan doen kon. Maar toch waren ze erg meelevend in deze voor ons zo droeve dagen. Zij heeft toen thuis nog 3 weken moeten liggen en toen mocht ze weer naar school.

Zoals gezegd konden we zingen: de Heere heeft grote dingen aan ons gedaan, dies zijn wij verblijd. Ze heeft er nooit meer enig letsel van overgehouden. Later heb ik nog wel eens aan Dokter Nieuwenhuijse, die toen hier was gevraagd wat het nu eigenlijk geweest was, maar dat wilde hij niet zeggen. Hij gaf maar als antwoord: Zij is als door een wonder genezen en is nu beter, wat geeft het nu of je dit weet of niet.

Maar we hebben angstige dagen en nachten doorgebracht, niet in het minst haar lieve Moeder, die toch al zo zielsveel van haar hield, omdat ze altijd een meisje was geweest, die nu niet zo grof was en altijd bijzondere zorg behoefde reeds van haar geboorte af. Gelukkig was ze zelf niet teer uitgevallen en huilen deed ze nooit. Zij was altijd een dapper ding.

Wij hebben nog al eens om haar moeten lachen, want wanneer Mientje het op een huilen zette, zij deed het nooit.  Zij is later naar de huishoudschool te Goes gegaan en heeft daar veel geleerd, zodat zij daar haar verdere leven veel gemak van heeft gehad. Trouwens ging het leren goed ook.

In die tussentijd was Kees gereed met zijn studie aan de H.B.S. te Goes en zijn einddiploma 5-Jarige cursus gehaald. Maar helaas hij kwam van die school af in de tijd dat er vele met een diploma in haar zak op de straat stonden om de doodeenvoudige reden dat er niets te krijgen was. Hij is toen onze boekhouding maar gaan doen. Dat was evenwel niet naar zijn en ook niet naar onze zin. Wij hadden hem daarvoor niet laten leren.

Toch gelukte het hem eindelijk wat te krijgen. Hij kon op het kantoor komen als jongste bediende bij Weststrate op de Conservenfabriek. Hij deed dit vanzelf graag, daar hij dan aan de gang was. Hij verdiende toen 50 gulden per maand. Wat een loon? Maar zijn Moeder was daar ó, zo blij mee. Dat verlichtte de lasten en die kreeg zij natuurlijk voor haar zelf. Klagen deed zij echter nooit. Alles zo veel mogelijk zelf maken en zij had reeds grote steun aan Pie, die ook dapper leerde naaien en het huishouden doen. Zij had nu zeer veel gemak, van hetgeen zij op die cursussen had geleerd. Zij werkte dus hard samen voor de huishouding. Maar zelf had ik het ook altijd druk, en was maar alleen. Als het dan in de winter erg druk was, moesten Liza en Bets en Mientje bij mij helpen. Wat hebben ze veel gedaan in de drukkerij. Zij moesten mee helpen om letters te zetten. En letters opbergen (distribueren) en drukken met een stoof op de trap van de degelpers. B.v. Visitekaarten en ze hadden het al gauw te pakken ook. Eens is het gebeurd dat er een controleur van de Arbeidsinspectie kwam. Hij kwam langs achter in de drukkerij en ik riep tegen hen: Gauw langs achter weg, maar hij zeide: ik zag ze wel weglopen, maar met mooi praten kwamen we er gelukkig uit. Wat hebben ze dat later nog

 

45

 

dikwijls opgehaald. Maar ik had van hen in die drukte van die tijd veel gemak van hen. En ze wilden ook niks liever dan de zaak maar omhoog brengen. Voor de rest mochten ze natuurlijk op gezette tijden ook wel spelen. Vooral in hun huisje zaten ze zeer veel, met hun buurmeisje een dochtertje van dezelfde leeftijd als zij van Burgemeester Strick van Linschoten. Zij heette Hesje en is ook al getrouwd en woont nu in Wassenaar bij Den Haag.

Toen in 1935 is Liza van school gekomen en hoewel hij zeer goed leren kon, hij had niet de minste lust on door te leren. Hij moest in de zaak en zou drukker worden. Ik was daar natuurlijk wel blij om, daar ik best een hulp kon gebruiken en wat is dan beter dan eigen personeel? Hij moest voor hij van school kwam ook nog al eens in vacantie, evenals Pie bessen gaan plukken in oogst en aardbeien, maar later heeft hij het nog al eens gezegd: ik bad in stilte: Heere, dat ik toch alstublieft nooit geen bessen of aardbeien moet gaan plukken als ik van school ben, want, daar heb ik een gruwel aan. Nou hij heeft het gelukkig nooit moeten doen ook, want het werk nam steeds toe en hij ging er al vroeg op uit om nog wat vast te krijgen ook.

Echter in alle stilte, zonder dat ik het wist had hij een brief geschreven naar de Lettergieterij Amsterdam om een gereviseerde Heidelberger Drukautomaat.

Vanzelfsprekend kwam daar gauw een reiziger op los en ik stond er echter een beetje vreemd van op te kijken. Het was de oude Heer Van Doesburg, een zeer geschikte en solide man, die ons in deze veel heeft geholpen.

Tegenwoordig komt er nu een zoon van hem, hoewel hij nog steeds als vertegenwoordiger voor de L.A. optreedt.

Na lang wikken en wegen zouden we in de zomer van 1938 er dan maar toe overgaan een pers er bij te kopen. Er stond in de zaak in Amsterdam een in zeer goede staat zijnde machine en we moesten dan maar eens komen kijken. Reisgeld werd vergoed en betaling kon in overleg worden geregeld.

Want dat was voor ons het grootste probleem. Het was een prachtmachine, maar hij moest 1500 gulden kosten. Nu was dat voor die tijd een som om van te schrikken. Niet dat zulks voor die machine te veel was, maar het was toen geen tijd zoals we nu beleven.

De hypotheek die ik bij het begin der zaak had opgenomen, was wel ver afgelost, maar ik wilde er niet meer bij gaan lenen, temeer daar we de geleende gelden bij oprichting van de drukkerij ook ver hadden ingelost. En nu weer voor dezelfde lasten komen te staan voelde ik niet veel voor. Ik wilde eerst schoon schip maken.

Echter de Heer Van Doesburg dacht daar geheel anders over. Hij zeide dat wordt een knecht die schatten voor je verdient, daar sta ik borg voor en we gaan je het zo gemakkelijk mogelijk maken. Nu wist hij natuurlijk goed hoe wij bekend stonden, juist omdat we de installatie en oprichting der drukkerij ook bij hen gehad hadden. Reden temeer dat hij ons graag wilde helpen.

In ieder geval, wij gingen samen naar Amsterdam en kwamen terug en toen zei Liza: Vader, al is het dat wij hem nooit kunnen betalen, kopen doen wij hem. Hij zei dit vanzelf in zijn onnozelheid, want ik zei hem, maar jongen zo gaat dat niet, hoor!

We troffen echter een regeling, die ons zeer gemakkelijk afging. We moesten een bedrag direct betalen en de rest mocht in maandelijkse afbetalingen voor zoveel we zelf konden betalen. Hetzij veel of weinig. Mocht er een maand doorkomen, dat het niet gemakkelijk viel, dan mochten we overslaan, wat echter gelukkig niet nodig was, dan alleen de eerste maand tijdens de oorlog, maar toen was alles toch in de war.

Het was in 1938 juist op het 40 -jarig Kroningsfeest van de Koningin in september dat de monteurs bezig waren ze te zetten. Juist op diezelfde dag werd de oude Bartel Meeuwse begraven. Hij was jaren ouderling in de

 

46

 

Gereformeerde Gemeente geweest. Hij kwam nog al eens bij ons en hebben we ook veel met gesproken.

We zijn dus begonnen met onze Heidelberger Drukautomaat en de voorspelling die de heer van Doesburg ons gedaan had, bleek al gauw waarheid te bevatten. Lisa kon had hem al vlug onder de knie en kon er goed mee over weg. Er kwam steeds meer werk en de machine was prima.

We hebben hem dan ook 21 jaar lang gebruikt, zonder veel onderhoudskosten of reparaties.

Toen in het voorjaar van 1939 hadden we een voor ons onvergetelijk feit, want op 26 maart toch mochten we onder veel belangstelling ons 25 -jarig Huwelijksfeest herdenken en vieren. Wat hadden veel in die tijd ondervonden, maar wat de Heere ons rijk gezegend en Zijn gunst ons doen ondervinden.

Wat hebben we het dikwijls gezongen tezamen : Waar liefde woont, gebied de Heer. Zijn zegen, Daar woont Hij zelf, daar wordt  Zijn heil verkregen, En ’t leven tot in eeuwigheid. Ja, we hadden dat zeer kennelijk mogen ondervinden, niettegenstaande de moeilijke tijden, die we hadden doormaakt.

Alle felicitaties van die dag hebben we nog liggende en in een album verzameld. Veel bloemen en geschenken hebben we toen gekregen.

Maar in het wereldgebeuren zouden er droeve en angstige tijden gaan volgen. Alom dreigde het oorlogsgevaar en groot rumoer over de hele wereld.

Intussen was Kees na veel solliciteren er in geslaagd bij een firma in Meppel te kunnen komen, namelijk Firma Huisman, drukkerij & Uitgevers Mij. Het was wel ver van huis, waar wij wel tegenop zagen, maar het was voor hem om vooruit te komen en dan moesten wij daar maar overheen.

Hij wilde toch ook geen jongste bediende blijven en het vak van ons stond hem ook wel aan, althans de administratieve zijde daarvan. Is ook wel mooi en leerzaam. Hij ging in salaris ook goed vooruit, al moest hij nu vanzelf in de kost gaan liggen. Maar er was daar vooruitzicht om hoger op te komen en daarom konden wij hem ook gemakkelijk laten gaan.

Hij heeft het er dan ook best  naar zijn zin gehad en trouwens is het wel goed. Men leert dan zaken en mensen kennen en er mee omgaan. Toch zou de tijd, die hij bij A. Weststrate heeft doorgebracht voor zijn hele leven van invloed zijn, waarin wij ook weer de gangen Gods mogen zien.

Zijn dochter Ali namelijk raakte verliefd op hem en hij op haar, zodat ze elkaar niet meer konden vergeten, al was hij dan ook ver van huis. Er was een band gelegd tussen hen, die de beslissing voor heel hun leven zou brengen. Want echte liefde kent geen grenzen en als die liefde uit God is, dan mogen er hindernissen komen, maar die worden overwonnen en heeft de Heere er zijn goedkeuring op. Wij mogen geloven dat zulks tot op de dag van heden nog zo is, en zij ook als door Gods hand zijn gebracht.

Maar nog kwam er bij, dat juist de oudste zoon van Weststrate met onze Pie in contact kwam. Wel was dat voor ons iets zeer bijzonders, de oudste Zoon uit het ene gezin,  en omgekeerd ook weer bij ons. Zo iets valt niet dikwijls voor. Ook die verbintenis is doorgegaan en zou een band worden voor hun beider leven. We komen daar later nog op terug, bij hun trouwen.

In die tijd waren Bets en Mientje ook van school gekomen. Bets ging naar Goes, zo wij reeds eerder meldden en Mientje zou knip- en naailessen krijgen van Pie, daar zij niet wilde doorleren, hoewel zij een eindrapport van de Lagere School meekreeg, met bijzondere aantekeningen bij haar cijfers, en het Hoofd der School daarbij adviseerde om ze door te laten leren. Zij wilde echter niet en dan maar thuis helpen.

Ook op kerkelijk erf was er in 1936 veel veranderd. Dominee Hofman had een beroep aangenomen naar Moerkapelle en in het najaar van dit jaar was hier gekomen Dominee van den Berg, die als candidaat juist van de Theologische School was gekomen.

Gerard was in 1936 naar de school gegaan en ook hij kon goed leren, wat nog later zal blijken. Tot dusver had de Heere ons rijk gezegend met onze kinderen en hebben we niet veel last gehad met hun opvoeding. Had ook wel

 

47

 

anders kunnen gaan. Ook in de zaak ging het goed, hoewel de tijden erg, benauwd en zorgelijk waren.

We komen nu terug op het jaar 1939, de vooravond van de grote oorlog, die ook ons land nu niet zoals in 1914 zou voorbijgaan, maar waarin we ook zouden betrokken worden en waarin tienduizenden het leven hebben verloren. De Heere heeft ons soms op zeer wonderlijke wijze bewaard, wat nader nog wel zal blijken. Ook waren wij toch niet beter dan alle die andere mensen die hun dierbaren door het oorlogsgeweld zagen vallen. De Heere alleen zij daarvoor de ere.

1940

Dit jaar zouden we wel met een zwarte kool moeten schrijven, want dat was het begin van vele en zware beproevingen, die we zouden moeten meemaken in ruim 4 lange bange oorlogsjaren.

Reeds in het najaar van 1939 was het begonnen, daar we inkwartiering kregen van Militairen, die in talrijke colonnes hier aankwamen en overal werden ondergebracht evenals in 1914.

Wij kregen een sergeant die afkomstig was van Wolfaartsdijk, namelijk Jan Verschuure. Ook kwamen er al gauw meerdere die bij ons koffie kwamen drinken of een avond op visite zo men dat noemen wil. Ze kwamen veel in de winkel en die mannen hadden gaarne wat aanspraak of gezelligheid.

Bij ons kwam ook veel Bram Wattel uit Vrouwenpolder, omdat hij een neef was van Marien van de Broeke. Hij heeft zeer veel bij ons gekomen. Wij troffen het goed met onze inkwartiering. Ongeveer half April 1940 werden de berichten echter van dien aard, dat elk ogenblik het ergste kon worden gevreesd en ook de oorlog over ons land zou los branden.

Half april ontvingen we van hogerhand de mededeling dat we hier niet blijven konden en dat we zouden moeten evacueren naar Zaamslag of Axel.

Gevreesd werd dat ze de dam bij Rilland-Bath zouden onder water zetten. Dan hadden we bij Kruiningen de Zanddijk, die goed versterkt was en wanneer we dan hier zouden blijven zouden we opgesloten zitten. God had het echter gans anders beschikt, wat nader zal blijken.

Wij zouden dus over water moeten en kregen alvast voor elk lid van het gezin een label, waarop onze naam en de plaats waar we naar toe zouden  moeten. Deze moest op een zichtbare plaats gedragen worden. Voor ons was het een benarde tijd, zoals voor alle mensen, maar wij moesten onze zaak in de steek laten en wat zou er van worden. Wij lieten zeer veel achter.

Daar kwam nog bij dat Kees in Meppel zat en hoe zou het daar uitlopen?

Allemaal vragen die bij ons opkwamen en waarop wij geen uitweg wisten.

Hij zou ons niet meer kunnen bereiken en de postverzending hoe zou dat gaan? Het waren spannende dagen en de meest nare berichten deden de ronde en zoals dit in zulke omstandigheden gaat, wist de één al meer nare berichten te vertellen dan de ander.

Evenwel op 10 mei vielen de Duitsers ons land binnen. Wij hebben 's nachts niet veel op bed geweest. Tot half twee heb ik bij de radio gezeten om de nieuwsberichten op te vangen.

Hele zwermen vliegmachines werden gesignaleerd, die in alle richtingen over ons land vlogen. Om half vijf 's morgens stonden we al op de straat en zagen we ze met ons eigen ogen overvliegen.

Zij hadden het voornamelijk op de Zanddijk gemunt, waarop ze bommen lieten vallen. Het was die morgen mooi weer, doch erg fris en de rillingen van de kou en de angst deden niet veel goeds aan ons gestel.

Er kwam echter al spoedig van hogerhand bericht, dat alle auto’s opgevorderd werden

 

48

 

en daarmee evacueren naar Hoedekenskerke en dan per boot naar Terneuzen.

We zijn daarheen gebracht en het allernoodzakelijkste mocht meegenomen worden. Ik met een grote beddezak op mijn schouder, Moeder met wat tassen, Bets en Mientje eveneens en Liza ook goed bepakt en beladen, al wat we aan koffers en dozen konden meesjouwen. Gerard was toen nog maar 10 jaar, dus kon hij nog niet zo veel meesjouwen.

Pie ging met ons niet mee, wat op zichzelf voor ons al een bittere teleurstelling was, maar zij zou bij Familie Weststrate blijven aan deze zijde van het water, op Baarland, daar zij voor eigen rekening een huisje konden huren. Eigenlijk vonden wij dat wel jammer, maar aan de andere zijde toch ook weer goed, daar zij dan per auto, indien zulks mogelijk was altijd nog naar Krabbendijke konden, wat zij dan ook nog al eens gedaan hebben ook.

Wij moesten echter zeer veel achterlaten, daar we een goed gevulde winkel hadden. In die tijd verkochten we zeer veel sigaren en sigaretten en die hadden we veel.

Nu moesten er een 70 of 80 man hier blijven om de beesten weg te brengen naar de zak van Zuid-Beveland en ook voor bewaking, maar later zou blijken dat er daar ook wel onder zaten die nu juist niet zo erg betrouwbaar waren. Na onze terugkomst deden we althans daarmee droeve ervaringen op.

Het was een prachtige dag, die 10e mei 1940, maar wat een toestanden. We moesten eerst gaan lopen naar de Stationsweg, daar zou alles opgeladen worden. Wij hebben toen mensen gezien, die soms in geen 10 of 20 jaar ooit buiten kwamen, maar nu moesten ze wel, want alles moest weg. Oud en jong, klein en groot, moeders met zuigelingen, van alles zag je.

Het was een triest gezicht, niettegenstaande het zeer mooie weer. Een tocht om nooit te vergeten. Wat lag Goes daar vredig en we keken zo op het station, want juist Goes moest niet evacueren. En wij zo over ’s Gravenpolder naar die boot, die ons en geheel Krabbendijke zou overvaren, naar Terneuzen.

Daar gekomen zaten reeds velen op hun schamele bezitting, veel op hun klompen en te wachten op de boot om ingeladen te worden. Het was dus nog maar steeds wachten tot heel het dorp zo wat er zou zijn. Het was de grote veerboot "Koningin Wilhelmina” waar heel het dorp op kon. Het leek ons echter al spoedig een zeer gewaagde tocht, daar onophoudelijk Duitse vliegers in de lucht zaten en wie weet of ze juist deze boten niet onder vuur namen?

Maar Goddank, wij kwamen behouden aan en nu maar aan het uitladen en weer op stap naar Zaamslag, met auto’s. En wij maar sjouwen en zeulen met onze bagage en de Terneuzenaars ons maar aangapen en laten sjouwen, tot dat ze uiteindelijk gedwongen werden ons te helpen. Nou ik kon haast niet meer ook en Moeder ook niet.

Wij waren nog maar nauwelijks van de boot af, of daar had je het al, de sirenes begonnen te loeien en dan moest ieder dekking zoeken, want dat was luchtalarm en dan kwamen er Duitse jagers over, die alles onder vuur namen. Of je dan ook weg wilde? Bij de mensen in de portieken en de gangen van de huizen dan maar vluchten.

Maar zulks duurde maar even en dan werd weer het sein gegeven dat alles veilig was. Wij besloten om naar Zuster Bet te gaan, die toch in Terneuzen woonde. Wij zouden dan de andere dag wel naar Zaamslag doorreizen. Er zou wel gelegenheid wezen.

We zijn toen die stad door gesjouwd en waren van harte welkom bij hen.

Haar Marien van Langevelde zei: je bent nu op het veiligste plekje dat je maar uitdenken kan. Het kwam echter 's nachts heel anders uit. Wij hebben zo wat geen oog dicht gedaan vanwege het overvliegen en laag over de huizen scheren van vliegmachines. Wij hebben ze dan ook al vroeg in morgen goedendag gezegd en zeiden dat wij hier in geen geval wilden blijven.

Later zijn ze ook nog weggegaan naar Hoek bij Terneuzen.

Wij zijn toen doorgegaan naar Zaamslag, waar voor ons al verblijfplaatsen waren aangewezen de vorige dag. Maar die mensen waren ons af komen halen, maar wij lieten die avond verstek gaan. Wij vonden onderdak bij een zekere familie Wisse, de dorpsopzichter, die vroeger in 1903 architect was ge-

 

49

 

weest over de winkel waarin wij zelf woonden. Hij was namelijk nog familie van de vorige eigenaar de heer van der Jagt. Hij wist nog precies hoe het was. Wel zeer toevallig, maar hij was een beste man en betrekkelijk al op leeftijd evenals zijn vrouw.

Ik kwam daar met Moeder, Liza en Gerard daar zij eigenlijk twee woonhuizen hadden daar zij een ongehuwde zoon hadden die ook drukker was en aan de overzijde van de straat zijn zaak met een flink woonhuis erbij. Eten en slapen deed hij echter thuis. Maar nu moest hij in de zaak slapen, daar er anders plaats tekort was.

Bets en Mientje werden ondergebracht bij hun buren, dat was een schilder een zekere Keizer met z’n vrouw, welke geen kinderen hadden. Bij Wisse was ook nog een meisje thuis van een jaar of 18. Nou het waren goede mensen, maar we hadden al gauw in de gaten dat het niet te lang zou moeten duren, anders zou de goedheid wel gaan tanen.

We hadden het niet mis gezien. De eerste dag dat we er waren deden we zoals gewoonlijk thuis elk zijn boterhammen smeren, maar de tweede dag was zulks niet meer nodig. Onze kostvrouw zou het nu wel doen. Zij was overlopend Godsdienstig, maar ik kwam er vlug mee in conflict daar ik van haar Godsdienst niet veel hebben moest. Zij was zo licht als een veertje in dit opzicht. Ik kon daar niet mee overweg, omdat ik van dit soort godsdienst zelf te veel af wist. Maar redetwisten deden we er niet over.

Haar man was een echte praatvader en hij nam het ook wel wat serieuzer op. Als we dan ’s avonds gegeten hadden, hadden we zo veel te vertellen dat we soms langer dan een uur aan tafel zaten en zijn dochter zei: Vader, nou zou ik wel eens op willen gaan schieten. Maar ja, dan moest er nog gelezen worden, en dat was dan te laat. Hij zei dan, dan doen we dat vanavond wel eens als we naar bed gaan. Begrijpelijk dat er dan ook niks van kwam.

Wij hebben er de eerste nachten niet veel geslapen daar de ganse nacht de Franse troepen door die straat kwamen, die op de vlucht waren voor het Duitse leger. En dan dat paarden getrappel, het was niet uit te houden. We hadden beter op Krabbendijke kunnen blijven, zoals later zal blijken.

Dan de wildste geruchten die wij kregen te horen. Kranten verschenen niet meer. Radio was verbroken. Maar de Duitse troepen waren 's nachts al in Nederland binnengevallen, in de Peel, waar Piet van Velzen gelegerd was. Hij was toen al krijgsgevangen gemaakt en was al in Duitsland.

In Rotterdam werd toen al hard gevochten. We gaan dat nu maar niet verder beschrijven, daar er boeken on tijdschriften genoeg over verschenen zijn.

De op Krabbendijke achtergebleven mensen kwamen alras over naar hun familie en lieten heel de zaak in de steek. Slechts 2 mensen bleven er en dat was de posthouder de heer Snoodijk en de oude Gerrit van Nieuwenhuijzen. Die waren blijkbaar niet bang on zijn dan ook nimmer weggeweest en hebben de Duitse troepen er zien binnentrekken.

Per roeiboot kwam over de Schelde ook Mijnheer Kuijt, welke sinds maart hier hoofd der School was. Hij was een van de laatste die over kwam, daar toen de Duitsers al in Krabbendijke waren, maar hij wilde zijn Vrouw en kinderen zien. Voor ons was hij echter een geluksbode, daar hij de groete van Kees meebracht, die toen al op Krabbendijke was.

Hij had het gewaagd om uit het noorden van het land uit Meppel met de fiets dwars door Nederland te komen. Treinen reden er vanzelf niet. Hij was dwars over de Veluwe gekomen waar nog veel mijnenvelden lagen en toen zo op Rotterdam aan, waar het nog volop brandde en de puinhopen nog rookten. Toen op weg naar Zeeland, achter de binnenrukkende Duitse troepen aan.

Ook een echt waagstuk, maar de Heere heeft wonderlijk bewaard en hij kwam behouden op Krabbendijke aan. Hij brandde natuurlijk van verlangen naar zijn meisje en ook naar ons, daar hij niet eens wist waar wij zaten. Hij kwam nog al betrekkelijk goed op tijd aan. Daardoor is onze zaak voor veel plundering behoed.

Wat hij echter in ons dorp heeft meegemaakt en gezien dat is treurig

 

50

 

Het was een ware ruïne overal, vooral in de verschillende winkels en zaken welke of geheel leeggeplunderd en uitgestolen waren. Vernield en kapot geslagen alles soms kort en klein en vervuild. Door vluchtende Hollandse soldaten, door Fransen en Brabanders, die met karren uit Brabant kwamen.

En dan niet te vergeten door de Duitsers, die alles vernielde en stalen wat hun maar te pas kwam.

Kees heeft toen met een gevluchte soldaat uit Walcheren, die op weg was naar huis een paar nachten in de winkel geslapen om plundering en diefstal te voorkomen. We hebben die kaart, die die jongen ons een paar weken nadien nog schreef en waarvoor hij ons nog bedankte, nog liggende.

Enkele dagen later is toen de Familie Weststrate teruggekeerd en toen was Pie ook thuis en hebben ze samen de zaak zo goed mogelijk wat opgeknapt. Er waren een paar ruiten en deuren ingetrapt en in de winkel nog al wat schade aangericht.

De eerste Zondag dat we in Zaamslag was het Pinksteren en zijn we ter kerk geweest in de Christelijk Gereformeerde Kerk, bij Dominee Tolsma, een goede preker.

Hij kon echter zijn preek niet ten einde brengen, daar er luchtalarm werd gegeven en we ijlings dekking moesten gaan zoeken. In die dienst heeft Liza nog het orgel bespeeld. 's Avonds heeft toen Dominee van de Berg gepreekt voor de Krabbendijkenaren. Ook is zijn Vader hier gestorven, daar deze al in zeer ernstige toestand verkeerde toen we moesten gaan vluchten. Hij is daar onder zeer grote belangstelling begraven.

Het was daar op Zaamslag echter ook verre van rustig, daar er herhaaldelijk Franse, Engelse en Duitse vliegmachines overkwamen en we nog al dikwijls dekking moesten gaan zoeken. Het werd zo erg dat een dochter van de Familie Wisse, welke met haar man en kinderen op de andere zijde van het dorp woonde, naar haar ouders kwam vluchten, daar zij met haar kinderen niet langer in huis durfde te blijven.

Het werd er toen voor ons niet beter op, daar we met veel te veel mensen dicht op elkaar zaten en de kost er niet beter op werd. Ook Bets en Mientje hadden het wat dat betreft niet erg getroffen, daar het in Mei was en dus in de tijd van aardappelen met sla. Maar zij kregen alleen 's middags maar een bord sla en geen aardappelen.

Reden temeer, dat wij al vlug begonnen te prakkeseren om naar huis te gaan. Maar hoe? De burgemeester, die hier ook was zeide dat wie weg wilde, zij dit geheel voor eigen risico moesten doen. Maar het liet mij toch niet met rust. We zijn toen eens poolshoogte gaan nemen en naar Walsoorden gereden op de fiets en jawel daar lag een boot die zowat een 30 of 40 mensen mee kon nemen en naar de Waardse haven voer of varen zou. Het weer was prachtig en wij terug en daar hadden ze vanzelf oren naar om terug te gaan.

Wij zouden het er naar op wagen. Een auto gehuurd en wat op de fiets en wij weg. Vele van onze dorpsgenoten stonden ons aan te kijken en vroegen: wat gaan jullie beginnen? Ik zeide, we gaan weg wat er van komt dat komt er van. We kwamen juist in Walsoorde aan toen de eerste boot van zijn reis terug kwam. Dit was dus zijn 2e reis. Wij aan boord en de Schelde over. Die schipper liet ons veel te veel betalen, maar hij zou dat te vele later terug moeten betalen. Hij wist dat we in nood zaten en maakte daar treurig genoeg nog gebruik van. Het was schitterend weer en we zagen al in de verte de toren van Waarde, de kerktorens van Krabbendijke en de fabrieksschoorsteen, zodat we al heel wat gerust gesteld werden omdat dit er alles nog stond. Het zag er alles nog zo rustig en vredig uit, of het geen oorlog was. Alleen in de verte naar Bath toe zagen we een boot met zijn kiel naar boven liggen, die dus door het oorlogsgeweld was getroffen. Maar anders zagen we dan ook niets. Zo kwamen dan gelukkig goed over en in de Waardse kaai stapten we weer gepakt en gezakt aan wal. Het dorp scheen echter als uitgestorven. Slechts hier en daar een man of vrouw, die ook al terug waren of thuis gebleven waren. Wij gingen dus maar op stap naar Krabbendijke. Onderweg echter werden we opgepikt door een

 

51

 

vrachtauto, die ook al heen en weer naar Krabbendijke reed. Dat was voor ons een buitenkansje en zo doende waren we gauw thuis. Stel je voor dat blijde weerzien van onze kinderen en vooral van Kees, waar we erg nieuwsgierig naar waren. Want van Pie hadden we nog een paar keer een kaart gehad, terwijl we in Zaamslag waren. Ook die hebben we nog liggende.

Overigens hadden we niet veel aangename herinneringen aan Zaamslag. We waren nog slechts enkele dagen terug toen we al een brief kregen van die mensen waar we geweest waren over de centen van de vergoeding. Nu hadden zij ook met hun zaak zeer veel verdiend en ontvangen van zo een heel dorp dat daar bij hun was en Liza had nog geholpen in hun Drukkerij, ook zonder één cent te krijgen. Daar kwam nog bij dat onze zaak 14 dagen stil had gelegen en toen nog veel geroofd en gestolen. Maar de meeste mensen, die daar verbleven zijn, waren dat dorp gauw vergeten.

Ik heb hun toen een brief teruggeschreven dat zij zich wenden moesten tot onze regering, die toch de opdracht had gegeven tot onze evacuatie en wij niet uit ons eigen waren gekomen. Maar mochten ze het van die zijde niet krijgen, dan zouden wij het zelf nog wel betalen. Dat beetje meer schade, schreef ik er dan ook nog wel bij. Wij hebben er echter nimmermeer van gehoord.

We waren dank zij Gods goedheid gelukkig allen weer bij elkaar.

Direct zijn we eens het dorp rond geweest met een paar mensen. Het was totaal verschrikkelijk hoe er schandalig was huis gehouden. Vernielzucht en vandalisme hadden wel zeer hoogtij gevierd.

Langzamerhand kwamen alle inwoners terug en begonnen werd vanzelf met man en macht alles zo veel mogelijk in orde te brengen en het gewone leven weer te hervatten. Wij waren nu een bezet land en zaten onder een vreemde dwingelandij.

In de drukkerij probeerden wij zo vlug als 't maar kon de zaak op gang te brengen, daar er veel werk los kwam. Allerwege werden Distributiekantoren opgericht en alles op de bon en tegen afgifte van formulieren.

Ook waren wij 14 dagen achter en moest alles zoveel mogelijk aangewerkt worden. Echter werd het voor ons hachelijk inzake de papiervoorziening. De duikbootoorlog woedde op z’n hevigst en Nederland was geheel geïsoleerd. Ook dit moesten wij alles met de nodige aanvragen zien te pakken te krijgen.

En dan kreeg we het nog maar mondjesmaat.

In de winkel moest ook alles op bonnen verstrekt worden, zodat we in de loop van de oorlog onze sigaren en kruidenierszaak opgegeven hebben. De rompslomp van bonnetjes plakken en formulieren invullen, uren wachten aan het distributiekantoor. Het hing ons de keel uit en we gaven het op, temeer daar er toch veel te weinig op verdiend werd, gezien de vele werkzaamheden die wij er aan hadden.

Voor de papierlevering was in Amsterdam een Centraal Bureau opgericht en van daaruit kregen we onze toewijzing en dat was niet veel, alleen voor de overheidsuitgaven en Distributieaangelegenheden. Alleen was het jaar 1940 nog niet van de slechtste, daar de Papiergroothandel nog wat uit voorraden konden leveren. Maar allengs zou het minder worden. Vooral met de brandstoffen werd het een groot probleem en zagen we dan ook met zorg de winter tegemoet.

In de winkel konden we dan ook niet veel voorraad vormen en leverden we b.v. enveloppen en papier slechts af in partijtjes van maar 50 stuks, om zo veel mogelijk de mensen te kunnen helpen, zodat de één niet alles en de andere niks zou hebben. Daar kwam, nog bij dat alles met de dag duurder werd en we een bange tijd tegemoet gingen.

We kregen ook al gauw weer inkwartiering, maar nu van Duitse soldaten, soms maar voor een nacht of dag, daar ze dan weer verder trokken.

Zo komen we de winter door en gaan het jaar 1941 tegemoet. De oorlog woedde in al zijn hevigheid en de berichtgeving was allertreurigst. Alles vanzelf eenzijdig en de kranten werden hoe langer hoe kleiner, wegens papierschaarste en door opheffing. Ook wij moesten ons Advertentieblad opheffen

 

52

 

dat we sinds 1933 al uitgaven over Krabbendijke, Oostdijk, Rilland-Bath, Waarde en Gawege. We vonden dit vanzelf zeer akelig, daar het voor ons altijd een goed Blad was geweest en aardig wat opbracht. Ook de adverteerders, al was er dan niet veel, vonden het jammer, ook met de gedachte: wanneer zal het weer komen. Maar het werd ons door de overheid verboden en we kregen er geen papier meer voor.

Zo zijn we dan het jaar 1941 door geworsteld kunnen we wel zeggen en gaan we de barre winter van 1941 - 1942 tegemoet. Op Oudejaarsdag was het nog niet veel met de winter en op die dag was er voor ons bij alle narigheden en oorlogsgeweld toch

blijdschap, daar Kees met Ali en Pie met Jan op die dag ondertrouw hebben gedaan.

Zij gingen dus beide op één dag in het huwelijk. Een zeer zeldzaam feit, wat niet dikwijls voorkomt. Kees had een betrekking gekregen in Gorinchem als Boekhouder bij de Uitgeverij Noorduyn, en hij kon daar een huis krijgen en ook Pie had een huis aan de Stationsweg

gekregen.

De trouwdag werd bepaald op 22 januari 1942. Maar begin januari viel de vorst met ongekende kracht in, zo we het in geen jaren hadden mee gemaakt.

De nacht vooraf gaande aan hun huwelijk vroor het 22 graden onder nul. En alles was stijf bevroren. ’s Ochtends was bij ons de waterleiding stuk en moesten we die nog gauw zoeken in orde te krijgen. We hadden nog wat kolen opgescharreld om het althans flink warm te kunnen stoken voor die dag.

Gelukkig dat het bij ons geen koud huis is en we het gauw warm stoken konden. Op het Gemeentehuis zijn ze getrouwd door Secretaris de Heer J. Vader jr., de latere Burgermeester, daar onze burgemeester door de Duitsers in gijzeling was gezet in Sint Michielsgestel.

Ze zijn in de kerk getrouwd door Dominee van de Berg, maar de verwarming in de kerk was ook al kapot gevroren, zodat we stijf in onze jassen moesten zitten en zij zowat stonden te rillen.

Hij heeft ze getrouwd uit Psalm 111 : 10. Met allerhande opgescharrelde rijtuigjes en brikjes zijn we van het Gemeentehuis naar de kerk gereden en weer terug. Auto’s reden er haast niet meer daar er geen benzine meer te krijgen was en alle pompen leeg waren. En die er nog was, was bestemd voor de Weermacht. Wat een bange tijd was het toen?

We hebben toch in ieder geval nog een fotoreportage van hen in ons familiealbum.

Dat kon nog wel. We hebben nog een zeer gezellige dag gehad, ondanks de verschrikkelijk toestanden vanwege de oorlog.

Gelukkig viel de andere week de dooi in, maar de oorlog woedde hevig en de duikbootoorlog vooral, zodat we van buitenaf niks meer kregen en we geheel op ons zelf waren aangewezen. En de voorraden in ons land gingen hard achteruit.

Geen wonder dat bezorgdheid allenwege heerste, maar Goddank we zijn ook die barre winter weer doorgekomen. Op reis gaan of uit gaan was er toen niet bij, daar het reizen zeer gevaarlijk was, want op de treinen stond zelfs afweergeschut voor vliegmachines, daar deze het ook inzonderheid daarop voorzien hadden om de Duitse soldaten die er inzaten te treffen. Maar voor ons was het vanzelf intussen ook zeer gevaarlijk.

Op 14 april van dat jaar hebben we een leerling voor onze drukkerij aangenomen, namelijk Liza van Velzen van Broer Johannes. Hij had geen zin in landwerk en wij garandeerden dat we hem best konden gebruiken. We hadden volop werk. Hij is dan ook 14 jaar achtereen bij ons geweest, uitgezonderd zijn militaire diensttijd.

Hier moeten we nu even een zeer droevig feit inlassen. Gelukkig wel niet uit onze eigen familie, maar toch voor ons zeer bekende mensen.

In de nacht namelijk van 31 juli op 1 augustus om circa half 3 werd een grote Engelse bommenwerper aangeschoten boven Yerseke en deze ging brandend door midden in het dorp Wemeldinge, waar hij neerstortte op het woonhuis van de familie Cijsouw. Deze mensen nu kenden wij heel goed. Mevrouw Cijsouw, met 2 jongens en 2 meisjes van haar, met nog 2 kleinkinderen dus 7 mensen in totaal vonden hierbij de dood. Haar dochter was jaren hier onderwijzeres aan de school

 

53

 

in de Julianastraat geweest en Bets en Mientje hadden nog bij haar in de klas gezeten. Ook haar broer was hier nog onderwijzer aan de school geweest. Het was een zeer vreselijk gebeuren en het medeleven met die zeer bekende familie was dan ook zeer groot. Op Dinsdag 4 augustus zijn we nog wezen kijken naar de begrafenis van al die slachtoffers en deze zijn dan ook onder geweldige belangstelling ter aarde besteld in een gemeenschappelijk graf. Voor deze familie dan ook een wel zeer droeve herinnering aan de wrede oorlog.

In diezelfde zomer zijn we nog al eens met Bets en Mientje en Gerard wezen rapen, daar het eten al maar minder werd. De broodvoorziening vooral liep hard achteruit en tegen de winter, want wie weet wat er nog komen zou, wilden we dan ook gaarne wat in huis hebben.

Er werd veel tarwe verbouwd en gerst voor de kippen, we konden dat allemaal hard gebruiken. Liza was in de drukkerij en ook Liza van Johannes, dus kon ik er zelf wel eens een middagje op uit, wat toen trouwens door zeer veel mensen gedaan werd. Op Woensdag 16 september hebben we deze raap uitgedorsen en hadden toen 130 kilo tarwe. We konden dus met Gods hulp de winter afwachten, met onze bonnen er bij. Op 14 oktober is Liza in Amersfoort geslaagd voor diploma Kantoorboekhandel.

Ook gingen we dit jaar nog al eens naar Bergen op Zoom, waar dan een zogenaamde Streekbeurs werd gehouden, daar geen reizigers of vertegenwoordigers in Zeeland mochten komen.

Veel hadden ze niet aan te bieden, daar er aan alles gebrek was. Maar dan maar wat surrogaat, hoewel we nooit veel kochten omdat we niks met die surrogaatartikelen ophadden. Het was soms niet veel meer dan rommel wat ze aan te bieden hadden.

In dat najaar op 30 september overleed de vrouw van broer Gerard, Geerte Huissen. Zij was nog maar 53 jaar oud en zij had vanaf januari veel geleden.

Zij leed aan de vreselijke ziekte, de kanker. Zij was nog met het huwelijk van Kees en Pie in de kerk geweest. Maar was toen al niet in orde meer. Wij hebben zo ongeveer een week of drie bij haar wezen waken. Voor hen was het een zeer droevig jaar, daar de jongste nog slechts 10 jaar was.

Zo zijn we dan, ook dit jaar weer doorgekomen en brak weer de winter aan van 1942 op 1943. Wat zou dit jaar ons weer brengen. Zou de oorlog nu beslist worden of zou deze nog langer duren. De Heere alleen wist het.

In 1943 werden vele jonge mannen opgeroepen om naar Duitsland te gaan werken. Wij zaten natuurlijk daar erg over in met Liza. Wat moesten wij dan gaan beginnen? In ieder geval hij kreeg een oproep om gekeurd te worden en werd goedgekeurd.

Wij alles in het werk gesteld om hem thuis te houden, geschreven ettelijke malen naar het Centraal Bureau van Drukkers in Amsterdam, die ons veel geholpen hebben.

Dan vele malen naar die beruchte Orts-commandant in Middelburg. Gelukkig na lang praten en wikken en wegen zou hij voorlopig niet weg moeten. Maar wij mochten hem maar een halve week hebben en de andere halve week moest hij naar van der Peijl in Kruiningen, daar deze totaal zonder personeel zat.

Wij waren dus beide dan zowat geholpen en hij zou in ieder geval niet naar Duitsland moeten, wat voor ons al een grote vreugde was. Op 24 mei is hij voor de eerste maal daar naar toe gegaan. Hij ging dan met de bus mee, want fietsbanden waren er niet en op houte banden, waarop toen veel gereden werd was veel te ver. Dat ging wel als het hier in dorp was, maar verre reizen kon men daarop niet maken. Het was een getob en gesukkel van jewelste.

Op dinsdag 22 juni ’s morgens om 10 uur woedt er een hevig luchtgevecht boven ons dorp, waardoor we allen angstig wegvluchten. Een Amerikaanse bommenwerper stort naar beneden bij de Nieuwlandepolder, waarbij 8 doden vallen met nog een parachutist en een gewonde. Nog twee vliegtuigen vliegen brandend verder, welke bij Goes neergestort zijn.

Op donderdag 24 juni ’s morgens om half 9 wordt een bom op de Centrale

 

54

 

van de P.Z.E.M. te Vlissingen geworpen, zodat we zonder electrisch licht zitten en ook zonder stroom voor de machines. Dat was voor ons al een zeer groot ongerief, daar we nu alles op de trapdegel moesten doen en we geen groot werk meer konden aannemen.

Gelukkig was het niet van lange duur, daar op donderdag 1 juli des avonds om half zes de stroom weer werd ingeschakeld en de schade voorlopig hersteld was.

Dat was een vreugde. Wel gingen 's avonds om 10 uur de lampen uit, maar dat was wel om te overkomen. Deze maatregel gold ook al voor bezuiniging.

Toen op vrijdag 17 september weer een vreselijk ongeluk met de trein van 8 uur 's morgens naar Vlissingen. Bij wachtpost 27 aan de Lapdijk werd een trein beschoten door overvliegende Engelse Jagers en werd het locomotiefpersoneel getroffen, 3 man met half verkoolde lichamen lagen daar aan die dijk bij die overweg. Iets vreselijks en om nooit te vergeten.

Op 22 september is toen ons eerste kleinkind geboren, namelijk Ria Weststrate. Wat waren wij daar blij mede. Vooral onze lieve Moeder, die toch al zo veel van kinderen hield en nu een lieve kleindochter. Dat was wat te midden van al die narigheden. Maar de Heere was goed voor ons en al was het dan middenin de oorlog, zij was een gezonde baby en heeft gelukkig van al die nare oorlogsomstandigheden geen schadelijke gevolgen ondervonden, zoals er helaas maar velen zijn, en waren.

Op zondag 5 oktober kregen we weer inkwartiering, een zekere Tsjech uit Olmutz. Zijn vader was daar burgemeester en hij was dus eigenlijk geen Duitser. Wat hij ook inderdaad niet wezen wilde ook, maar daar Tsjecho-Slowakije bij Duitsland was ingelijfd moest hij ook op komen. Hij is ruim 4 maanden bij ons gebleven en was een zeer goede kerel. Wij hebben een paar jaar geleden nog een briefje van hem gehad, daar hij de oorlog overleefd heeft en hij zat toen in de Russische zône, zodat hij niet veel schrijven kon over de toestand, daar zelfs zijn brief was opengemaakt en de foto's van zijn twee kinderen er uitgehaald waren.

En hiermede naderen wij ook weer dit jaar, het derde dus van de oorlog. Alles was schriel en bekrompen, maar de Heere had ons allen nog bij elkaar gelaten. Van Kees kregen we ook nog al eens berichten. Wij hebben uit Gorkum al die correspondentie nog liggende en we stuurden er nog al eens wat naar toe ook.

Zoo naderen we het rampjaar

1944

maar eigenlijk ook weer het jaar van onze bevrijding, dus in die zin een jaar van blijdschap. Voor velen zou het echter een jaar worden van zeer droeve herinneringen. Op Nieuwjaarsdag overleed nog vrij plotseling Ko van Zweden. Hij had jarenlang voor ons drukwerk, zoals visitekaartjes en scheurkalenders verkocht. De betalingen gingen wel zeer gebrekkig, maar hij was een arme tobber, geheel alleen op de wereld en wij maakten altijd zonde van hem. Hij moest altijd zo maar voor zichzelf zorgen en kreeg niet altijd wat hij toekwam. Gelukkig dat de tijden in dit opzicht veel verbeterd zijn. Op 29 januari is Herman Jaksche de Tsjech bij ons weggegaan naar Frankrijk. Maar op zondag 6 februari kregen we al weer een ander. Hij heette Adolff Klötz en kwam uit Stuttgart, maar dit was een kerel van zeer laag gehalte! Hij kwam soms van de hele nacht niet thuis en was niet aangenaam ook. Hij is slechts enkele weken bij ons geweest en we waren erg blij dat deze wegging.

 

55

 

Daarna op 16 maart donderdags kregen we een heel gezin uit Poortvliet op Tholen, daar deze mensen daar allen weg moesten wegens inundatie en deze alle op de verschillende dorpen moesten ondergebracht worden. We gaven ons daar ook voor op, want die arme mensen werden nu van huis en haard door het onder water zetten verdreven en we wisten zelf maar al te goed uit 1940 wat dit was. Daar kwam nog bij ze waren van dezelfde kerk als wij daar hiermede zo veel mogelijk rekening werd gehouden. Wij kregen dan Albert Jopse, met z’n Vrouw Pie van Iwaarden en een zoontje Henk.

Dit waren echte en aangename luitjes en konden wij, vooral Moeder het best mee vinden. Wij waren zo wat Vader en Moeder over hen, en zo beschouwden zij ons ook. Zij sliepen zo gerust temidden van het oorlogsgeweld als een kind bij z’n moeder. Zij zijn tot 16 juli bij ons gebleven.

Zeer genoegelijk hebben we met elkaar omgegaan en tot op heden ondervinden we nog vriendschap van hen.

Albert zelf was een grote sterke man en wij hebben veel gemak van hem gehad.

Hij heeft zeer veel hout voor ons gezaagd en gekapt, waarvan wij veel gemak hadden.

We lieten ze maar in het achterhuis wonen en ze zaten daar gezellig. Zij konden dan hun familie ontvangen en laten komen, wie zij wilden.

Op dinsdag 11 april net na Pasen komt weer een Engelse bommenwerper over ons dorp en valt 's avonds om kwart voor 12 brandend neer midden in het dorp Waarde.  Wij stonden daarop te kijken voor het zolderraam en hielden onze adem in. Wie zou dat nu weer treffen? 3 mensen uit één gezin lieten daarbij het leven, terwijl een grote brand uitbrak.

's Morgens zijn wij daar naar wezen kijken, want ’s avonds om 8 uur was er al verbod om buiten te komen. De Heer M. Blaauwkamer met z’n vrouw en een dochter waren daarbij jammerlijk om het leven gekomen. Voorwaar een zeer zware beproeving voor zulk een dorpje als Waarde en inzonderheid voor die familie. Wij beleefden met recht wel angstige en benauwde tijden.

Op donderdag 20 april wordt een totale oorlog afgekondigd. Alle mannen van 17 tot 40 Jaar worden opgeroepen. Gereedschappen inleveren enz. enz.

Nog erger wordt het op zaterdag 22 april, want dan worden alle manspersonen van 15 tot 65 jaar opgeroepen. Ook onze beide Liza’s moesten voor de Duitse Weermacht bomen gaan rooien. Deze moesten dan op zogenaamde open plekken en terreinen gezet worden, ter voorkoming van landing van vliegtuigen. Het zou later blijken dat zulks totaal niks waard geweest was. Maar zulke ideeën hadden die Duitsers wel meer.

Intussen zou onze zaak dan geheel stil staan en ik ging direct vrijstelling vragen in verband met het gereedmaken van Drukwerk voor Overheidsinstanties en distributiekantoren. Nou gelukkig maar dat ging net. Dus hoefde ik zelf niet mee. Ik zou zo iets niet gekund hebben ook.

Dan in de nacht van donderdag 11 op 12 mei weer een erge paniek, daar een brandende bommenwerper, volop in brand staande, zodat we de vlammen boven ons dorp zagen uitslaan. Deze stort neer aan de Noorddijk precies bij het huis van Adr. van Hekken. Door heel de polder lagen wrakstukken en delen van mensen, die daarbij alle om het leven kwamen. Het gedenkteken aan de Noorddijk is daarvoor opgericht, waar de namen van de mensen staan op vermeld. Het huis van Adr. van Hekken was deerlijk gehavend. De modder uit de sloot waar die delen van dat vliegtuig ingevallen waren lag op zolder en in de kamers. Wonder boven wonder geen slachtoffers van burgers.

Ik stond buiten op de stoep langs zijde van de winkelruit. Door het neerstorten en de erge luchtdruk werd ik tegen de muur gedrukt en de spiegelruit eveneens.

Totaal kapot en in scherven. Een panische schrik ontstond bij alle mensen, daar er veel nog niet naar bed waren. Ook onze evacués waren buiten en Koos van Iwaarden-Krombeen en haar evacués vrouw Geuze. Zij liepen alle hard achter elkaar bij ons naar binnen en tuimelden alle drie over elkaar. Wat hebben we daarmee ingezeten, daar deze alle drie in blijde verwachting verkeerden waarvan alle zeer dichtbij. Wij schrijven hier aan toe dat het kind van Koos een achterlijk kind en ongelukkige

 

56

 

stakker is, daar het voor iedereen in die dagen zenuwslopend was, maar inzonderheid voor zulke vrouwen. Geen enkele avond konden we gerust naar bed, telkens weer opgeschrikt door overvliegende vliegmachines, niet wetend wat ze zouden doen, of naar beneden zouden storten, wegens beschieting.

Toen op 6 Juni is de landing begonnen in Noord-Frankrijk, waarvan wij toen niets wisten, want berichten dienaangaande werden geheim gehouden. Maar toch konden we het wel zien, daar grote troepentransporten en wagons hier doorkwamen en naar Brabant vertrokken. We konden dus wel begrijpen dat er iets bijzonders op komst was.

Daar komt voor ons weer een angstige nacht en tijd. Van 13 op 14 juni 's avonds krijgt Mientje veel pijn in haar rechterzijde. Wij vanzelf erg ongerust, wat zou dat nu weer zijn? Wij haalden direct Dokter Nieuwenhuijse erbij en deze laat weten: als ze koorts krijgt dan moet je direct komen.

Wij deden dit dan ook toen wij zulks bemerkten, maar hij kwam zelf niet en stuurde zijn assistent Piet Bruijnzeel. Deze maakt ons wijs dat ze niet zo moet jammeren met: het is maar een zere buik. Maar Pie kwam ook nog even kijken en die zegt, maar zo kan het niet langer. Ik zal zelf eens naar Dokter Nieuwenhuijse gaan en zeggen dat hijzelf moet komen. Hij kwam dan ook direct mee en wat is het geval: Direct naar het Ziekenhuis en vlug ook. Ik zeg tegen hem dat is dan wat anders dan een zere buik. Hij was erg kwaad op die assistent, maar wij zaten er mee. Maar hoe nu? Naar Goes kon niet, daar de Vlakebrug onder vuur lag en ten tweede wilde Francke, de taxichauffeur niet rijden ook.

Wij moesten toen Impens uit Kruiningen opbellen en dan maar naar Bergen op Zoom. Deze deed het en om half elf was hij er al. Met gedempte lichten, terwijl veel paarden en soldaten op de weg waren en wij zeer bevreesd waren dat elk ogenblik één of andere jager op die soldaten zou gaan schieten en wij daar dan tussen zouden zitten.

Maar de Heere heeft ons wonderlijk behoed en wij kwamen behouden in Bergen op Zoom aan. Ze is direct geopereerd van een erge blindedarmontsteking.

Die chirurg vertelde ons dat we geen half uur later zouden moeten gekomen zijn, daar het anders buikvliesontsteking zou geweest zijn met al de gevolgen van dien.

Ze was om half 2 geholpen en om half drie waren we weer behouden thuis.

Op de terugreis kon Impens nu vlugger rijden ook, daar zulks met Mientje niet doenlijk was.

Hoe gerust onze evacués geslapen hadden blijkt wel uit het feit dat ze van heel die omstandigheden niets gehoord hadden, terwijl zij in het aangrenzende kamertje sliepen met een houten tussenwand. Toen zij ’s morgens wakker werden lag Mientje al in het Ziekenhuis te Bergen op Zoom geopereerd en wel, terwijl wij wel 20 keer op en af de trap geweest waren en de dokter er bij was. Nogmaals wel een bewijs hoe gerust zij bij ons sliepen.

Maar de Heere wendde het alles ten goede en op donderdag 22 juni mochten we haar weer al terughalen. Zij heeft er Goddank geen letsel van overgehouden.

Wij waren in dit geval zeer wonderlijk bewaard en weer alle bij elkaar. Toen op donderdag 6 juli zijn Albert Jopse met zijn vrouw en kind bij ons weggegaan, daar de gebeurtenis die stond te wachten moeilijk bij ons kon plaats hebben. Er stond toen een noodwoning van Weststrate in de Doelstraat, welke indertijd nog voor Kees was klaar gemaakt na zijn huwelijk met Ali, maar hij is toen naar Gorkum gegaan en heeft daarvan geen gebruik gemaakt. Het is die woning die nu aan de rijksweg staat bij Vogelaar. Enkele weken later is hun toen een zoontje geboren. Maar ze hebben daar niet zo gerust geleefd als bij ons. Hij liep toen halve nachten buiten wegens angst voor vliegmachines enz.

Maar de oorlog kwam steeds dichterbij en het zag er maar donker uit.

 

57

 

Alles werd nog steeds schaarser, terwijl het al zeer erg was, en er gebrek aan alles kwam.

Wij zullen nu de gebeurtenissen dag tot dag gaan volgen:

Dinsdag 5 september:

Geruchten doen de ronde dat heden de Engelsen zullen arriveren. Post en radio, alles is stilgelegd en verbroken. Alle werkzaamheden op het land staan stil. Niemand durft zich meer in het open veld wagen.

Woensdag 6 september:

Veel Duitse soldaten komen door Zeeland gevlucht, over de Rijksweg en door het dorp. Paarden en fietsen, alles word door hen meegenomen, zodat geen enkele fiets meer te zien is.

Donderdag 7 september:

’s Nachts om kwart voor 12 moeten we al uit bed, omdat vele jagers over ons dorp vliegen. Om half 2 zien we 3 grote lichtfakkels vallen, die heel ons dorp in het licht zetten. Eigenlijk een benauwd gezicht en even nadien wordt schrikkelijk hard geschoten in richting van het station en de spoorweg. Bij Smallegange vliegt een kogel in de slaapkamer.

Echter geen ongelukken of niemand, die getroffen wordt.

Vrijdag 3 september:

Weer een onrustige dag. Veel jagers telkens in de lucht. Veel afweergeschut op Hansweert. 's Morgens om 11 uur wordt tussen W.P. 24 en W.P. 24 A een trein beschoten, waarbij geen ongelukken voorkomen.

's Middags woedt een zeer harde storm. Veel fruit waait van de bomen. De gemeente Kruiningen moet evacueren, omdat ze die polder onder water gaan zetten. Een 100 -tal burgers komen ook naar hier. Later blijkt weer dat van onder water zetten geen sprake is.

Zaterdag 9 september:

Erg rumoerig en onrustig. 's Morgens om half 3 wordt een trein aan het station beschoten. Bij Weststrate aan de spoorweg en aan de Veiling nog al wat schade van kogels. Echter geen mensen getroffen.

Zondag 10 september:  

Een zeer bijzondere dag: Alle kerkdiensten zijn afgelast, zodat we allen de hele dag in huis zitten en zelf maar een preek lezen. Er wordt weer veel geschoten, maar geen ongelukken.

Maandag 11 september:

Zeer onrustige dag. Veel troepen komen hier voorbij en blijven hier rusten. Er wordt zeer veel geschoten, vooral over de Rijksweg scheren de vliegers en schieten daar hard. Dit is voornamelijk gemunt op auto's die in de richting van de boomgaard van Vogelaar staan. Echter weer treffers .

Pie komt met haar kindje, dat nu bijna een jaar oud is naar huis, uit vrees van het beschieten van de treinen aan de spoorweg.

Dinsdag 12 september:

’s Morgens om half 6 komt een lichte bommenwerper of jager over het dorp gevlogen, waardoor we allen hard opschrikken. Deze gooit 2 bommen aan de Zuidweg, bij de grasdrogerij van Kersten, nu de fabriek Herba en een in de tuin bij Zuster de Raad, nu het gebouw van Het Groene kruis. Zeer veel glasschade overal. Ook de zuidgevel van de kerk vliegen alle ruiten in stukken. Persoonlijke ongelukken deden hierbij gelukkig niet voor, maar de schrik der mensen was geweldig. Om 12 uur bij W.P. 19 veel bommen geworpen. Alles staat bij ons te schudden en te drillen.

We weten niet waar we kruipen moeten. ’s Middags wordt weer veel rond het dorp geschoten. Afweergeschut aan de Boomdijk, wat voor ons de angst niet minder doet wordend. Wij gaan nu de bedden naar beneden halen en allen in de huiskamer slapen, omdat we bij eventuele vlucht gauw weg kunnen en we toch niet zo trefbaar zijn ook. ’s Middags zitten we zonder

 

 

58

 

Water daar de leiding bij W.P.19 kapot gegooid is. Ook gaat ’s avonds om half 8 het electrisch licht uit, zodat we nu ook zonder licht zitten en ons met wat kaarsen behelpen moeten.

Gezien de bommen, die vanmorgen in het dorp vielen is Pie met haar kindje weer maar terug naar huis gegaan, daar het hier al evenmin veilig is dan aan de spoorweg.

Woensdag 13 september:

Deze dag gaat bijzonder rustig voorbij. Er gebeurt niets en het weer is zeldzaam mooi. Echter durft niemand meer te werken, daar het op het land ook niet meer veilig is, omdat er veel geschoten wordt en men dan geen dekking kan zoeken. Zo worden in de Fredericapolder twee werkmensen door een aantal kogels getroffen. Zij waren afkomstig uit Kruiningen namelijk Ogiet en Bauer. Zij moesten naar Goes worden overgebracht, maar niet dodelijk getroffen.

’s Avonds om kwart voor 7 komen 7 formaties van elk 6 zware bommenwerpers over, die de angst bij heel de bevolking doet stijgen, daar alles staat te dreunen en te schudden. Ze werpen een aantal bommen uit bij de Kreekrakdam, maar gelukkig gaan ze hier voorbij.

De nacht daarop is betrekkelijk rustig. Alleen om half 2 laat een jager nog een bom vallen, vermoedelijk tussen Krabbendijke en Rilland.

Donderdag 14 september:

Ook deze dag is betrekkelijk rustig, hoewel het gedreun van de kanonnen harder wordt.

Vrijdag 15 september:

De nacht die voorbij ging was zo rustig als we in geen langen tijd beleefd hadden. Geen enkel vliegtuig liet zich horen. Alleen veel troepentransporten. Ook overdag gebeurt er niets.

Zaterdag 16 september:

Verlopen nacht was weer niet zo rustig. Na 12 uur weer veel vliegmachines.

Echter niet geschoten, wel veel troepenvervoer.

’s Middags om 3 uur gaat het electrisch licht weer aan, nadat we sinds dinsdagavond om half 8 zonder hadden gezeten. Veel jagers komen er weer over.

’s Avonds om half 6 gaat het licht weer uit. Naar verluidt is Vlissingen, Hoedekenskerke en Ellewoutsdijk gebombardeerd. Om 6 uur beleven we weer iets vreselijks. Verschillende formaties zware bommenwerpers vliegen over ons dorp en draaien heen en weer. Wat zal dat nu worden? Ze worden beschoten door het afweergeschut nabij Lugtenburg en er wordt één aangeschoten, welke met een huilend geraas op ons dorp afkomt, maar Goddank nog door een zwenking in de Oosterschelde terecht komt. Wij zien de parachutisten er uit springen. Naar verluidt is ook de weg van Rilland naar Bath door bommen kapot gegooid, ’s Avonds om 10 uur moeten nog vele wagens en 100 man personeel er naar toe om deze te repareren. Later bleek het de dam bij W.P. 19 en 20 te wezen. Deze mensen hebben daar een benauwde nacht doorgebracht.

Zondag 17 september:

We hebben een zeer onrustige nacht beleefd. De ganse nacht jagers over het dorp. Wel 5 of 6 bommen zijn in de buurt gevallen en het mitrailleurvuur is niet van de lucht. Van 2 uur tot half 6 hebben we niets kunnen slapen. Ook veel lichtkogels overal uitgeworpen.

’s Morgens om 9 uur zijn we weer naar de kerk geweest. Dominee v.d. Berg hield een korte preek over Psalm 51 vers 14 en 15.

De zuidgevel van de kerk was met planken en karton dichtgemaakt, daar alle ramen stuk waren door die bommen bij Kersten. Tijdens de dienst is het betrekkelijk rustig. Of er vanmiddag en avond kerk is, is niets

 

59

 

bekend. In ieder geval gaat de kerk van 's avonds toch om half 4 of 4 uur aan, zulks met het oog op de verduistering, daar volstrekt geen licht mag branden buiten. Echter is het op die dag geen kerk meer geweest, omdat het die middag erg rumoerig was en al maar  schieten en bombarderen. 's Avonds om 7 uur laten ze drie bommen vallen aan Roelshoek: één in de Karelpolder, 1 in de Spuikom en één over de Zeedijk. Veel consternatie en geweldige harde slagen. Alleen veel glasschade aan de Hoek.

Maandag 18 september:

Verlopen nacht is betrekkelijk nog al rustig geweest. We zijn er maar een paar keer uit geweest voor overvliegende jagers. Voor de middag gaat alles goed. Er is nu een publicatie van de plaatselijke commandant dat op straffe van naar een Duits werkkamp gezonden te worden alle werk moet worden hervat. Dit is natuurlijk een angstig bevel, daar het op het land alles behalve veilig is. Maar het beeld op de straat wordt hierdoor veel veranderd, daar het nu veel stiller is. Geruchten doen de ronde dat luchtlandingstroepen Den Bosch, Tilburg enz. bezet hebben. ’s Namiddags weer erg rumoerig. Omstreeks 4 uur wordt een Amerikaanse jager, bemand met een Pools soldaat door luchtdoelgeschut naar beneden geschoten, waar wij zo op stonden te kijken. Hij draait door de ronde en valt bij Vogelaar in de Strodorpepolder naar beneden. De Pool kwam hierbij om het leven.

Naar we menen is daar op die plek nog een gedenkteken geplaatst.

Ook komen op die dag nog een transport van Engelse krijgsgevangenen van plusminus 100 man over de Rijksweg.

Dinsdag 19 september:

De nacht is nog al rustig verlopen, slechts een paar maal moesten we opstaan voor een laag overvliegende jager. Vanmorgen kregen we post welke sinds 8 september was opgehouden. Nog een krant van 5 september.

De geëvacueerde uit Kruiningen zijn zo goed als allen teruggekeerd.

Woensdag 20 september :

Verlopen nacht was erg rustig. In geen lang zo. Slechts enkele jagers die snel overvlogen. 

Vandaag zijn ze gekomen, de gemeenteopzichter om de regenbak te verzegelen voor distributie van water. Ik heb dat niet toegestaan. Ik zei hem als U hem verzegeld, breek ik het stuk.

De gevolgen neem ik voor mijn rekening. Dit is ons wettig eigendom en daar blijf je af. We hebben het niet toegestaan en even nadien kwam hij weer zeggen dat het niet nodig was. Wij verdeelden het water toch wel. Hebben dan ook verscheidene van onze buren geholpen. Geruchten doen de ronde dat de Duitsers in Zeeuws Vlaanderen de strijd opgegeven hebben.

Donderdag 21 september:

Heden was het erg dik en nevelig en veel troepen gaan vertrekken die hier enkele dagen geweest waren. De rust is nu weer in het dorp weergekeerd. Weinig vliegmachines wegens de weersgesteldheid. Vandaag hebben we wat aardappels opgeslagen voor de winter.

Vrijdag 22 september:

De nacht was erg rustig, maar nu is het weer erg nevelig en mistig. Geruchten doen de ronde dat Terneuzen en Eindhoven in Engelse handen zijn. Vanuit de laatste plaats zouden de geallieerde troepen doorgestoten zijn naar Arnhem, waar de luchtlandingstroepen zouden zitten. Deze konden echter geen verbinding krijgen met eerstgenoemde. Veel troepentransporten langs het dorp.

Volgens latere geruchten zouden die luchtlandingstroepen bij Arnhem vernietigd zijn. Later zou dit helaas nog blijken waar te zijn ook. Hierover zijn later boeken genoeg verschenen.

 

60

 

Zaterdag 23 september:

Een betrekkelijk rustige nacht. Alleen om half 10 ’s avonds weer een jager, die lichtkogels uitgooit, over het dorp. Achter de Hervormde Kerk komt er een naar beneden. Dit zijn zogenaamde parachuutlichten.

Weer veel toepen vervoer over de Rijksweg en door het dorp. De weg over het dorp is bij het Shellstation afgesloten, hoewel er ’s avonds om 8 uur toch nog veel paarden en wagens door komen. We kunnen dan ook niet voor 12 uur naar bed. Ook vliegt een vliegmachine al lichtfakkels uitwerpende van Bergen op Zoom over de Schelde naar Yerseke en Wemeldinge over Kruiningen en Waarde over Krabbendijke en Rilland zodat een ogenblik heel Oostelijk Zuid-Beveland in de donkere nacht hel verlicht wordt, wat eigenlijk een onheilspellend gezicht is.

Om 11 uur komt een grote drom van zware bommenwerpers over, zoals we in geen maanden meer gehoord hebben. Daar de lucht erg zwaar betrokken was vlogen ze zeer laag, wat alles deed schudden en beven. Gelukkig gingen ze voorbij. In de nanacht hebben we toen rustig geslapen.

Zondag 24 september:

We zijn deze zondag 2 keer allen ter kerk geweest. Het was nu maar 2 keer. 's Morgens preekte Dominee v.d. Berg uit Micha 7 : 18 en in de middagdienst uit Zondag 39. Een stormachtige en regenachtige dag. Geen vliegmachines gehoord.

Maandag 25 september:

Verlopen nacht was nog al rustig. Slechts een paar maal zijn we er uit geweest voor laagvliegende jagers. Overdag vooral ’s morgens

veel regen en wind.

Dinsdag 26 september:

Ook de nacht ging nogal rustig voorbij. Wel veel troepenvervoer vooral langs de Rijksweg. ’s Middags om half 5 hevig schieten op jagers die hier rond het dorp vlogen. Ook ’s avonds om 9 uur op een jager, die zeer lang heen en weer vloog over het dorp.

Woensdag 27 september :

Verlopen nacht was zeer onrustig. Om circa 12 uur begonnen jagers over het dorp te vliegen. Veel lichtfakkels uitgooiende en dat duurde zo tot ’s morgens half 6. Wij hebben dan ook niet veel geslapen. Reeds om 8 uur veel schieten op scheepjes, die aan de Stroodorpepolder waren opgelegd, terwijl ook nog een bom daarop werd geworpen. Heel de voormiddag veel bommenwerpers en jagers zodat we nog al eens in de gang vluchten.

Vanmorgen ging weer het gerucht dat in Arnhem schrikkelijk werd gevochten. De hele stad zou zo wat in brand staan en in puin zijn. Later is gebleken dat het zeer erg was ook. Antwerpen zou ook nog niet geheel in handen der geallieerden zijn.

De nacht daarop worden 13 bommen geworpen tussen W.P. 24 en 24 A. Geen enkele treft echter het spoor. Ook aan de Halt bij Rilland vallen 3 bommen. Veel glasschade maar geen persoonlijke treffers.

Om 12 uur 's nachts werden we nog opgeschrikt door een korte, doch hevige onweersbui, als ook om 4 uur. De vliegmachines vlogen daar maar door.

Donderdag 28 september:

Vanmorgen om 9 uur krijgen we een restje post uit Holland van 4 september. Dit had Dominee Ros, de Gereformeerde Predikant alhier uit Bergen op Zoom meegebracht. Daar was een schrijven bij van uit Zoutelande dat aldaar 2 meisjes en op Biggekerke vorige week 42 mensen bij bomaanvallen gedood zijn. Gisteravond werd uitgebeld dat alle arbeiders en grondwerkers gevorderd werden om een dijkje te leggen in de Bathpolders, daar deze gedeeltelijk onder water gezet zouden worden.

 

61

 

Vrijdag 29 september:

Verlopen nacht was nog al onrustig. Tot half 12 konden we nog al slapen. Toen kwam een jager de rust  verstoren, die tot 2 maal toe een salvo gaf uit de mitrailleur. Om 1 uur vielen 2 bommen aan de Roelshoek, juist naast de druivenkas van C. Traas, welke geheel in stukken was. Veel schade, ook aan de zeedijk. Om 4 uur daarna kwam er nog een over, waarop hard werd geschoten met het luchtdoelgeschut. Vanmorgen was het tamelijk rustig. Vele mensen zijn thans bezig om in hun tuintjes vluchtputten te graven.

Zaterdag 30 september:

In geen weken hebben we zulk een rustige nacht gehad als thans.

Wij zijn om 9 uur al naar bed gegaan en konden de ganse nacht aan één stuk doorslapen. Het was ook erg nevelig en regenachtig.

's Middags weer veel bommenwerpers en jagers erbij komen over.

’s Avonds om even voor 8 uur gaat het licht weer aan, nadat we 14 dagen zonder zijn geweest.  Om 10 uur gaat het echter weer uit. Zondag 1 oktober:

De nacht was nog al rustig. Naar we vernemen zijn bij de Vlake brug 3 bommen gevallen, wat we gehoord hadden. 's Morgens om half 7 gaat het licht weer aan tot half 9.

We zijn weer 2 maal ter kerk geweest. Dominee van den Berg preekte des morgens uit Psalm 33 : 18 en 19 en ’s middags Zondag 40. Omdat de stroom verbroken was overdag hebben we zonder orgel moeten zingen. ’s Avonds om 7 uur gaat het licht weer aan.

Even over 7 uur weer verschillende jagers over de Schelde, vermoedelijk gemunt op de haven Yerseke.

Maandag 2 oktober:

In de verlopen nacht was het in de voornacht erg rumoerig, maar later ging het goed. Vandaag is er voor het eerst gelegenheid om post naar Holland te verzenden. Wij hebben een brief aan Kees en Ali geschreven, niet wetende wanneer deze terecht zal komen, zo ze ooit terecht zal komen, in Gorkum. Het electrisch licht ging vanmorgen om half 6 weer aan, tot 7 uur. Dan weer van 11 tot 1 uur, dan van  6 uur tot half 8 of soms ook tot kwart voor 8 en soms de hele nacht. Ook is vannacht de zomertijd geëindigd zonder dat we er wat van wisten.

Vanavond werd uitgebeld dat alle fietsen ingeleverd moeten worden, wat wij echter niet doen. We hebben ze half uit elkaar geschroefd

en op de vlieringen gestoken. Om half 9 komt een jager laag over ’t dorp, waarop hard werd geschoten.

Dinsdag 3 oktober :

De afgelopen nacht was in de voornacht nog al onrustig, later was het weer rustig.

Een Engels vliegmachien heeft in de verlopen nacht onrustbarende biljetten afgeworpen, namelijk een waarschuwing aan de eilandenbewoners van de monden der Schelde om onmiddellijk te evacueren, daar ze zeer waarschijnlijk binnenkort zullen beginnen om de dijken stuk te gooien en alles onder water te laten lopen.

Hierdoor is een geweldige onrust ontstaan onder de bevolking, zodat reeds verschillende gezinnen gaan verhuizen van de ene zijde van het dorp naar de andere zijde.

Ook naar Gawege en de Oostdijk enz.

Toch hebben we vandaag onze raaptarwe nog uit laten dorsen door broer Johannes met z’n zoon Kees. Zij hebben dit gedaan bij buurman J. Zweedijk met de dorsvlegels. Wij hadden een zeer schone opbrengst zo ongeveer 210 kilo’s. Wij konden dus als de Heere ons spaarde de Winter wel tegemoet zien, hoewel het al zorgelijker

 

62

 

en nijpender wordt. Wij hebben tot vanavond half 8 doorlopend licht gehad. Sedert gisteravond is het niet uit geweest. Ook hebben wij vandaag weer wat post gehad. Een briefkaart uit Woerden en nog een Dagblad van Rotterdam, beide daterend van 11 september.

Woensdag 4 oktober:

Afgelopen nacht was nog al tamelijk rustig. Slechts af en toe kwam nog een vlieger over, doch zonder lichtfakkels of bommen uit te werpen. Wel heel in de verte hoorden we nog bommen vallen. Geruchten gaan dat de dijk bij Westkapelle stuk gegooid is en het water de polder Walcheren instroomt. Later wordt dit weer ontkend. Wel schijnen er een paar bommen op de dijk gevallen zijn, maar de gaten blijken weer gedicht te zijn.

Donderdag 5 oktober:

Verlopen nacht was nog al kalm. Slechts toen we naar bed gingen kwamen nog een paar jagers laag over, evenals ’s morgens om 5 uur. Vandaag kwam het bericht dat de geallieerde legers in Ossendrecht waren, maar daarna weer teruggeworpen. Steeds zwaarder wordt echter het geschut, zodat we het zeer goed horen kunnen.

Vrijdag 6 oktober:

Een erge onrustige nacht is voorbij gegaan. Vanuit de grens van Brabant bij Hoogerheide en Ossendrecht hevig en fel schieten, zodat alles beeft en rilt en staat te schudden. Ook deze dag erg rumoerig veel jagers en ’s middags om 5 uur grote drommen met bommenwerpers, welke richting Bergen op Zoom over de Schelde vliegen.

Zaterdag 7 oktober:

Weer een onrustige nacht. Telkens het overvliegen van jagers, die wel zeer bijzonder veel lichtfakkels uitgooien. Om 3 uur werd hier hard op geschoten en waren er volgens ooggetuigen wel 20 stuks van die brandende fakkels. Ook uit die jagers wordt hard en fel geschoten op de troepen die hier aankomen en weer vertrekken.

Weer doen geruchten de ronde dat het Engelse leger bij Woensdrecht is. Op dit uur (half 9 ’s avonds) is alles weer stil. Veel militairen zijn er weer bijgekomen en gaan direct weer door naar de Kreekrakdam.

Wij hebben vandaag weer een beetje post gehad afkomstig uit Leiden, Amsterdam, Middelharnis en Den Haag.

Zondag 8 oktober:

Wij hebben in geen weken zulk een rustige nacht gehad als nu. Geen enkel vliegtuig gehoord. Alleen ’s nachts om 2 uur ging het licht uit. Gelukkig bleek het maar een storing te zijn aan het transformatorhuisje alhier. Wij hebben dan ook een kalme en rustige Zondag gehad en 2 keer ter kerk geweest. 's Morgens preekte Dominee v/d Berg uit Gen. 15 :  1 en ’s middags uit Zondag 41.

Toen we 's namiddags omstreeks kwart voor 4 thuis kwamen was het licht weer in orde.

Maandag 9 oktober:

Ook verlopen nacht weer erg rustig en kalm, zodat we de hele nacht konden slapen. Wel komt om 1 uur een grote drom van bommenwerpers over, die we echter niet konden waarnemen vanwege de dichte en gesloten lucht. Het geschutvuur uit Brabant wordt ’s avonds weer heviger.

Dinsdag 10 oktober:

Rustige nacht. Overdag zwaar geschut aan de Dam. Er mag niemand meer uit Zeeland de Kreekrakdam passeren. Geruchten gaan dat Engelsen en Amerikanen zich in de Dames- en Volkerpolder op de hoeven genesteld hebben. Maar het zware geschutvuur is wel angstwekkend.

 

63

 

Woensdag 11 oktober:

De nacht was erg rustig. Het kanongebulder hield gisteravond al vroeg op, zodat we gerust konden slapen.

De dag daarentegen was erg rumoerig. Veel schieten en kanongeschut.

Op het moment dat dit we dit neer schrijven staat alles te schudden en te dreunen. (7 uur) Vandaag weer aangeplakt dat via Het Rode Kruis weer post werd aan aangenomen voor Nederland en Duitsland en dat de verlieslijsten van Breskens, Breda, Wageningen en Den Bosch ter inzage liggen, waaruit dus blijkt dat deze plaatsen wel veel geleden zullen hebben. Met man en macht is begonnen de polder Kruiningen van veldvruchten te ontdoen, daar deze onder water zal gezet worden.

Donderdag 12 oktober:

Verlopen nacht weer veel bommenwerpers van 2 tot 4 uur overgekomen. Vanmorgen hebben we een briefkaart via het Rode Kruis naar Kees en Ali geschreven. Deze dag was bijzonder onrustig. ’s Middags om half 12 zien we de bommen vallen welke treffen op de hofstede van de Heer Nieuwenhuijse, Westhof in de Bathpolder, dezelfde schuren die ik in 1910 had helpen bouwen. Deze branden voor meer dan de helft af en worden de Brandweren van Krabbendijke en Kruiningen gealarmeerd. Gelukkig geen persoonlijke ongelukken. Veel graan gaat echter verloren en dat is juist in deze tijd onmisbaar.

In de namiddag is het weer erg.

Om circa 2 uur weer jagers die bommen uit gooien, nu op de hofstede van Lenshoek bij Smallegange, aan de Boomdijk. Er valt één vlak voor de hofstede en één in de mestput. Veel schade aan de gebouwen, maar geen brand en geen gewonden. Het schijnt dat ze het op de hofsteden gemunt hebben, met de gedachte dat daarin militairen verborgen zitten.

Het veroorzaakt echter een paniek onder de bevolking vanwege de graanoogst, die nu zeer kostbaar is en we niet kunnen missen.

’s Avonds om 5 uur is het weer erg, zodat we de kelder in gaan. 12 jagers nemen de bij de Stroodorpepolder liggende scheepjes onder vuur en ook die welke in de haven liggen. Ze vliegen ook over het dorp al schietende zodat alles wegvlucht. 2 bommen vallen in de haven en 10 in de zee. Deze dag is dus wel een van de rumoerigste tot op heden.

Ook is het electrisch licht weer verbroken sinds half 9 en zitten we ’s avonds weer in het donker. Vorige dagen hadden we zulks ook nog al eens, maar dan was het maar voor een paar uur, maar nu is het de hele dag en de daarop volgende nacht gestoord.

Vrijdag 13 oktober:

De nacht die voorbijging was erg rustig. Om 4 uur nog enkele kanonschoten, vermoedelijk uit het afweergeschut dat op de Mairehoeve staat. Ook overdag is het tamelijk rustig.

Geruchten gaan weer dat het geallieerde leger bij W.P. 19 staat, wat later weer wordt tegengesproken.

Maar ook dat de dijk bij Westkapelle erg is gebombardeerd, zodat geheel Walcheren onder water loopt en dat de molen bij Westkapelle is ondergelopen, waarin ruim 80 mensen waren gevlucht, welke allen zeer jammerlijk zijn verdronken. Helaas zou zulks later blijken waar te zijn ook.

Zaterdag 14 oktober:

De nacht was rustig. Alleen on circa 1 uur een hevige knal, vermoedelijk een kanonschot. Om 9 uur een grote drom bommenwerpers welke Zuidelijk voorbij Krabbendijke vliegen en die om 10 uur weer terugkeren van Noordoost naar Zuidwest, over ons dorp. Zij gooien echter geen bommen uit. Vanmorgen weer het gerucht dat de Engelsen van W.P. 19 tot op Hoogerheide terug geworpen waren.

 

64

 

Deze dag zeer veel overvliegende jagers, die het thans voornamelijk op Rilland gemunt hebben. Omstreeks 2 uur worden hier verschillende bommen geworpen, met hevig mitrailleurvuur.  Een groot gedeelte van de Derde Weg, de Molendreef en de A. Butijnstraat worden daardoor getroffen.

Naar verluidt hebben ze daar in de Openbare School een opslagplaats van munitie. Het is daar op gericht. Veel huizen storten in elkaar. Het is daar een ontzettende ramp. Volgens zeggen van een ooggetuige zouden er 5 doden te betreuren zijn.

Nadere berichten moeten we afwachten.

In ieder geval is het daar vreselijk gesteld. Daardoor zijn er veel mensen van Rilland naar hier gekomen.

Zondag 15 oktober:

Verlopen nacht was betrekkelijk nog al rustig.  We hebben 2 keer ter kerk geweest. 's Morgens preekte Dominee v/d Berg uit Openb. 15 : 16. Ziet ik kom als een dief in de nacht enz. 's Middags uit Zondag 42.

Er vlogen nog al wat jagers, maar de kerkdiensten konden ongestoord doorgaan. Het gezin van H. de Leeuw is naar hier gekomen, bij Broer Gerard, daar hun huis totaal vernield is.

Volgens laatste berichten zouden er 7 doden zijn.

Deze dag was in de natuur erg buiig en regenachtig. Wij zitten al om 6 uur in het donker.

Maandag 16 oktober:

We hebben een rustige nacht beleefd. Alleen om circa 1 uur nog al erg schieten.

Ook de dag was betrekkelijk kalm. Nadere berichten die uit Rilland binnenkomen zijn inderdaad waar dat daar 7 mensen om het leven zijn gekomen.

Het is daar erg verschrikkelijk.

Vanavond om 6.10 uur is het licht weer aangegaan. De hoofdkabel was getroffen door die bom bij Smallegange en is hedenmiddag gerepareerd.

Wij zijn daar eens een kijkje wezen nemen, het was een ware ravage. Ook hebben we vanavond nog rouwbrieven moeten drukken voor een zoon van Posthouder Slabbekoorn van Rilland, die slachtoffer is geworden van het hulpbetoon tijdens die bomaanval. 

Hij is zaterdag van onder het puin weggehaald. Hij was slechts 19 jaar oud.

Dinsdag 17 oktober:

Nog nimmer in de 4 jaar oorlog hebben we zulk een nacht beleefd als verlopen nacht. Was een bange nacht. We hadden ons al om half 10 te ruste gelegd, maar nauwelijks een kwartier later werden we al hevig opgeschrikt door geweldig schieten over het dorp en de vliegende granaten.

Huilend gierden zij over ons om op de Westweg bij Lagendijk en Smallegange neer te komen. Wij zijn toen in de kelder gekropen voor enkele ogenblikken.

Toen weer terug naar bed, maar om kwart voor 12 begon het weer.

Daarna om kwart voor 5 onder de morgen weer in erge mate, zodat van slapen die nacht niet veel gekomen is.

De dag was rustig. Om half 9 ging het licht weer uit tot 's avonds half 6 wegens reparatie.

Vanmiddag zijn op Rilland de 7 slachtoffers ter aarde besteld, welks bij die bomaanval om het leven zijn gekomen. Nog 2 oude mensen worden er vermist.

Het weer is heden erg regenachtig met veel wind uit Zuidwest richtingen. Volgens zeggen zouden de Engelsen in Brabant weer verder teruggedrongen zijn.

Woensdag 18 oktober:

Zo een erge onrustige nacht als de vorige, zo een kalme hadden we nu. We hebben de hele nacht kunnen slapen. Alleen onder de ochtend nog een vliegmachine, maar was nog al ver af .

Ook de dag was rustig, er deed zich niets voor. Alleen ’s morgens wegens reparatie aan de kabel bij W.P. 24 hadden we geen electrisch, van half 10 tot

 

65

 

half 4. Het weer is erg buiig en zeer regenachtig vandaag.

Donderdag 19 oktober:

Verlopen nacht was erg rustig, wat het oorlogsgeweld betrof, maar in de natuur stormde het en regende het veel. Maar door dat alles hebben we toch rustig kunnen slapen. Ook overdag is alles goed gegaan. Van uit Rilland bracht Marien van Velzen het bericht mee dat de Familie Colpaart in de Fredericapolder zit op de hofstede van Bonte. Er zijn daar in die polder veel vluchtelingen uit Rilland.

Vrijdag 20 oktober:

De afgelopen nacht was weer niet zo rustig. Om kwart voor 12 schrikken we geweldig op door gierende granaten die overvlogen aan de Westweg. Deze kwamen zowat elk uur. Om kwart over 6 viel er een bij Joos Nieuwenhuijse, waarbij een kip werd gedood en een varken getroffen, dat direct moest worden af gemaakt. Ook ’s middags om 12.30 uur weer een hevig bombardement op Rilland. Berichten dienaangaande moeten we afwachten. In ieder geval was het hier duidelijk te zien en het was vreselijk. Later berichtte men ons dat Bath erg gebombardeerd was en veel kapot geschoten. Een paar huizen in brand, doch wonder boven wonder geen ongelukken.

Zaterdag 21 oktober:

Voorbijgegane nacht was weer erg onrustig. Veel gierende bommen maar voor zo ver we vernemen geen schade aangericht. Ook de dag was zeer kalm. Veel vluchtelingen komen uit Bath hier aan, daar dit geheel is ontruimd. Vanavond on half 6 werd door een 8 -tal jagers een aanval gedaan op de haven van Sint Pieterspolder, waar enkele vissersschepen waren opgelegd, uit Yerseke.

Het weer was vandaag erg mooi.

Het electrisch licht ging heden om half 11 uit tot vanavond 6 uur, omdat minstens 50% op het verbruik moet worden bezuinigd. Ook zijn weer veel soldaten gekomen.

Zondag 22 oktober:

Een erge onrustige nacht hebben we beleefd. Om half 3 werden we opgeschrikt door granaten die midden in het dorp vielen, waarvan een 3-tal in de Dorpsstraat oostzijde daar waar nu C. van lwaarden woont. Toen woonde daar Riet Huissen. Zeer veel glasschade werd aangericht. Maar goddank geen persoonlijke ongelukken. Wij hebben alleen  's morgens maar kerk gehad, Dominee van de Berg preekte uit Spreuken 15 : l6. 's Middags durfde hij niet meer omdat die nacht telkens granaten vlogen. En toch was het overdag erg rustig. Ik ben met Liza 's middags ter kerk geweest bij Dominee Ros, die preekte uit Zondag 1. De kerk was 5 kwartier in. Ook in de Hervormde kerk was het dienst. Overigens is die dag niets voorgevallen.

Door die granaat in de Dorpsstraat was het licht weer uit, maar het was vlug gemaakt en toen we uit de kerk thuis kwamen brandde het weer.

Maandag 23 oktober:

De nacht was thans bijzonder rustig. We hebben de hele nacht kunnen slapen. Overdag nog wel enkele schoten maar een mens raakt op het laatst overal gewoon aan, zodat we dit haast niet meer opmerkten. Veel vluchtelingen komen thans hier van af de Separatiedijk in de Bathpolder, die allen uit hun woningen moeten omdat het onder water gezet zal worden. Ook vernemen we dat de Familie Colpaart weer uit de Fredericapolder vertrokken is naar de Emanuelpolder bij de Weduwe Wolfert, daar er veel geschut in de Frederica wordt geplaatst.

Liza is vandaag naar Kruiningen geweest en de polder staat al voor een groot gedeelte onder water. Tussen 8 uur en half 9 komen veel

 

66

 

bommenwerpers over, welke alle in Zuid-westelijke richting vliegen.

Dinsdag 24 oktober:

Een betrekkelijk rustige nacht tot ’s morgens 4 uur. Dan wordt het helemaal verschrikkelijk. Veel huilende granaten en bommen. Op een 100 meter afstand van ons huis valt er een in de weide achter ons bij Jan Zweedijk. De slag was schrikkelijk. Thans is alle arbeid weer stilgelegd. We kunnen niet meer werken. We hebben een toevlucht gezocht in de koestal bij Familie Zweedijk, met dikke muren en veel pakstroo waarachter we weg kunnen kruipen. Ook een flinke ruimte en gedekt tegen de directe schoten, welke van over water uit Zeeuws Vlaanderen naar hier gericht zijn. De dag is zeer rumoerig. We zitten thans middenin de vuurlinie. Een en ander is wel zenuwslopend. Geruchten gaan dat W.P. 19 door de Duitsers is verlaten.

Woensdag 25 oktober:

Zulk een nacht als we nu beleefd hebben, hebben we sinds de oorlog nog niet beleefd. Wij moesten ons haasten om circa half 7 de toevlucht te nemen in de koestal. Het kanon gebulder en de granaten en de bommen die er vielen, het was in één woord: verschrikkelijk. Om 3 uur ging het licht uit tot half 7, dus betrekkelijk maar een kleine storing. We zijn toen om circa half 10 weer naar huis gegaan en konden slapen tot 12 uur. Maar toen moesten we weer zo snel mogelijk vluchten en was het tot onder de morgen geweldig vreselijk. Om half 3 sloegen 2 granaten boven uit elkaar, waarvan 1 op het Stoofje is terecht gekomen in de woningen van Hubrecht van Boven en Piet Lobbezoo. Eén in de schuur bij Joos Vergouwe aan de Zuidweg en ook nog één in de Zuidweg bij Joos  Joosse. Veel schade, maar weinig persoonlijke ongelukken. In ‘t Stoofje zaten de mensen in een schuilkelder, zodat ze niet in huis waren. Alleen bij Joos Vergouwe was 's avonds om half 10 een Duitse soldaat ingekwartierd, die dusdanig werd getroffen, door neervallend hout en steen, dat hij de andere morgen is overleden.

Wij hebben toe die dag de koestal tot een zo goed mogelijk toevluchtsoord ingericht en alles gebarricadeerd met pakstroo en alles wat maar tot afweer kon dienen. In ons huis vielen nog al wat scherven en veel ruiten kapot.

’s Middags om 3 uur komen veel Duitse soldaten van het front daar ze gedurig achteruit moeten en terugtrekken op Yerseke. De legers der geallieerden zijn thans tot aan de Halt.  Maar de angst stijgt met de minuut, hoe we het er af zullen brengen.

Donderdag 26 oktober:

Zeer vreselijk, beangstigend en bang is de nacht geweest. Het scheen of de hel was losgebroken. Onder hard granaatvuur en bommen die ganse nacht, met drie gezinnen in de stal. Familie Zweedijk, Familie Adr. van Iwaarden en wij met z’n zessen. Wij werden van twee zijden uit beschoten met vliegmachines en zeer zware kanonnen. Van de zijde van Bergen op Zoom en van uit Zeeuws-Vlaanderen. Vreselijk, erg was het. Omstreeks 5 uur valt een grote granaat van een meter lengte en wel 20 centimeter omvang diameter, tegen de eindgevel van de schuur waar we in zaten. Zulks met donderend geraas zodat heel de zuidelijke eindgevel instortte en we zaten te schudden en te beven. De helft van de Oostzijde van het dak met zich naar beneden slepend en zo alles in het wagenhuis terecht komen. Een gat in de grond geslagen van wel twee meter diep. Wat toen op Krabbendijke kapot  is geschoten wordt geschat op wel een vierde van de woningen.

We hoorden 's nachts de granaten tegen het huis van Zweedijk uit elkaar spatten en in de grint vallen. We blijven zo zitten tot

 

67

 

's morgens 9 uur. Dan wordt het ons te bar, door al maar rond ons uiteen spattende granaten, vooral op deze zijde van ons dorp. Wij praktiseren dan ook om hier weg te gaan. Broer Johannes z’n huis wordt door een granaat getroffen, waardoor de achtergevel er geheel uitgerukt wordt. Zij zelf zaten in de kelder bij Dominee Baarslag en Liza en Kees in een schuilkelder op de weide bij Vogelaar. Ook daar valt een grote granaat op slechts 4 meter afstand. Wij zijn zeer wonderlijk door Gods hand bewaard. Maar dan omstreeks half 11 begint het zowat granaten te regenen, vooral bij ons in de buurt. Op de hoeve bij de heer Vogelaar, bij de Weduwe Krijger vallen weer veel voltreffers, zodat we weer aan het twijfelen slaan hier weg te komen. We waren ook erg belangstellend of Pie met haar gezin niks overkomen was, en we gingen op stap. Met zeer veel tegenzin van de Familie Zweedijk, die haast baden om toch bij hen te blijven. We gingen echter toch, maar wat we toen gezien hebben op ons dorp is om nooit te vergeten. Midden onder het granaatvuur dat over ons dorp lag zijn we weggegaan, door het Kerkslop, waar we direct in de kerk moesten vluchten, doch ook daar durfden we niet te blijven. Weer zijn we op stap gegaan, door een half vernield dorp zodat we af en toe een omweg over de straat moesten maken door het puin, of de gaten die er in geslagen waren of stukken van daken.

Het ganse dorp leek uitgestorven. Alleen zo af en toe een vluchtende die ook niet wist waar naar toe. Door de Noordweg, Julianastraat en naar de Spoorweg, naar Pie, die echter in de kelder bij haar schoonvader zaten. Gelukkig had de Heere ook hen gespaard wat ons al een grote vreugde was.

We zijn toen doorgegaan naar de Familie in de Baan, welke we gelukkig ook alle goed aantroffen, hoewel ze ook bange uren met hun evacués de familie van Dijke uit Sint-Annaland en de oude heer Boone hadden meegemaakt.

We zijn daar circa één uur gebleven en toen was het iets stil en wij weer op stap door de Baan op huis aan. Af en toe zag men een enkel gezicht door een raam naar buiten gluren, maar op straat niemand.

Nauwelijks waren we echter de deur uit, of we moesten al weer terug. Toen weer weg en zo af en toe wegkruipen achter een heg of een huis.

Toch ging het betrekkelijk goed, toen we dicht bij huis waren. Toen namen ze de Westweg onder vuur, wat we voor onze zagen, wanneer de granaten inslogen.

Zo doende hadden we het ganse dorp gezien. Het was wel een hachelijk avontuur Op de Dorpsstraat ontmoetten we toen enkele mannen, die ons waarschuwen dat bij Tollenaar op de hoek mijnen in de straat lagen. Nu dat konden we dan ook zien en deze zijn we zo ver mogelijk uit de weg gelopen.

Later waren we blij toch zulk een avontuur te hebben gewaagd. Wij hebben toen gezien wat niet velen ten deel is gevallen. Niemand die zich op straat durfde wagen.

We zijn toen weer naar Familie Zweedijk gegaan en daar gebleven tot circa 12 uur. Toen was Krabbendijke eindelijk vrij van vuur.

’s Middags zijn we toen naar huis gegaan. Zeer veel mensen kwamen toen uit hun schuilkelders te voorschijn.

We waren het meest maar benieuwd naar Broer Johannes met z’n gezin. We hadden dat huis gezien, dat het zo goed als vernield was en wisten niet waar zij zaten. Als ze in hun huis gebleven waren hadden ze er gewis en zeker het leven bij ingeschoten. Want we wisten pas later dat ze er niet in waren. Te begrijpen dat we er mee inzaten, maar gelukkig hadden ze een schuilplaats gevonden als genoemd, zodat er geen mens in was.

Krabbendijke was dus bevrijd. Maar 's namiddags om 3 uur wordt terwijl alle mensen op de straat waren, nog een salvo gegeven, door een misverstand, waarbij een zoon van Johs. de Jonge van 18 jaar wordt ge-

 

68

 

troffen, welke op slag dood was. Bij het nachtelijk geschut dat we hadden meegemaakt kwam de andere morgen aan het licht dat nog meer mensen waren getroffen, te weten de vrouw van M. Pieper, aan de Oostweg met een daar inwonende evacué. De vrouw van Pieper was direct dood en die man die daar was een zekere Kuiper een paar dagen later. Ook de oude Heer Dansen aan de Hoek was in een schuilkelder dusdanig getroffen, dat ook hij het leven er bij liet.

Ook stierf ten gevolge van een zware hartaanval in die nacht Meester van Hekken, welke een hartlijder was. Hij heeft deze bange stonden niet kunnen doorstaan.

Ook vermelden we hier nog het droeve feit dat Marien Meeuwsen Chrz. met een span paarden aan de Noorddijk op een daar liggende landmijn reed, daar hij 's nachts bij Jan Blok in Nieuwlande was gebleven.

Hij had de vorige dag naar Kruiningen gemoeten voor de Duitse weermacht evenals Piet Blok, maar konden 's avonds vanwege het onder vuur liggen van onze gemeente niet meer thuis komen. Met het droeve gevolg, dat hij nog één dag heeft geleefd.

Toen is ’s middags om half twee nadat Krabbendijke bevrijd was ook Gawege onder vuur genomen en wel zeer zwaar. De Canadezen kwamen over de omliggende dijken en zo op Gawege aan. Daar is het wel zeer droevig afgelopen. Op een schuilkelder bij Adr. van Zweden valt een voltreffer, waar in 5 mensen zaten, te weten hij en z’n vrouw en Kees, een zoon van hem, met z’n verloofde Maatje Poortvliet en haar zuster, die uit angst van hier naar Gawege waren gelopen. Hierbij werden dodelijk getroffen: hijzelf, z’n zoon Kees en Maatje en Jo Poortvliet. Ook de oude Jan Neels en nog een evacué een zekere Gunter werden hierbij gedood, terwijl Piet Franje door de luchtdruk is gedood.

We zijn daar de andere dag wezen kijken, maar zo iets is onvergetelijk.

Daar lagen in een schuur zeven mensen op een rij, die door het schrikkelijke oorlogsgeweld waren getroffen.

Ook is toen de Oostdijk gebombardeerd, maar hier is het gelukkig veel beter afgelopen daar slechts één man, namelijk de Heer M. Sinke, aan zijn been werd gewond, waardoor dit is gebroken.

's Avonds zijn toen om circa 5 uur de eerste Canadezen op ons dorp gekomen, met zeer veel oorlogsmateriaal, gevechts- en pantserwagens.

Ook is ’s middags de hoeve Emanuel door brand vernield van de Heer A. Dees. De bewoners zelf zaten in de kelder, terwijl 2 paarden in de vlammen zijn omgekomen.

Vrijdag 27 oktober:

De nacht hebben we doorgebracht in het kolenhok van Zweedijk, daar geruchten gingen dat de Duitsers weer optrokken tegen de Canadezen en bij mogelijk terugslaan zouden we het weer moeten ontgelden.

Het vuur ging nu over ons dorp naar Kruiningen en Yerseke, welke in verre na niet getroffen zijn als ons dorp. Wij zijn daar opgepakt op elkaar gezeten gebleven tot onder de morgen om 4 uur en toen naar huis gegaan. We zijn toen niet meer in de schuilgelegenheid geweest daar zulks gelukkig niet meer nodig was.

Wij konden de Heere ootmoedig danken dat hij ons boven andere mensen niet minder dan wij gespaard had.

Zaterdag 28 oktober:

Thans hebben we de nacht rustig kunnen slapen. Alleen om half 2 nog erg hevig schieten vanuit Hansweert, daar er een commandant zat, die zich niet wilde overgeven. ’t Zou echter niet lang duren.

Overdag erg veel Canadezen en oorlogstuig in grote mate. Wij hadden zulk geschut nog nooit eerder gezien, alsmede zulke pantserwagens.

Oom Johannes van Velzen is met z’n gezin bij ons in komen wonen, daar hun huis zo erg kapot was, dat het niet te bewonen was. We zijn dan ook

 

69

 

met man en macht begonnen om zijn huis zo vlug mogelijk water- en winddicht te maken. Echter moesten we 's middags rouwbrieven drukken voor Mars. Meeuwsen,  Adriana Pieper en Piet Franje.

Zondag 29 oktober:

We hebben een rustige nacht gehad, met af en toe wat kanongebulder in de verte. 's Morgens zijn we ter kerk geweest. Dominee van den Berg preekte uit Lukas 18 : 1 tot 6, naar aanleiding van het zeer droeve feit dat 10 mensen uit de gemeente bij de oorlogshandelingen om het leven zijn gekomen. Het was echter een erg onrustige dag, wegens de zware tanks enz. die hier doorkwamen, alle op Walcheren en de Sloedam aan.

Voor het eerst na jaren werd op de Gereformeerde kerk weer de klok geluid, daar deze bel niet geroofd was, terwijl die uit de gemeentetoren en van de Hervormde Kerk er uit gehaald waren voor omsmelting van wapens.

Voor een dienstreis ten behoeve van Het Rode Kruis, waarvoor hij naar Bergen op Zoom moest, is de Heer Jan Hollestelle door een granaat getroffen, waardoor hij vrijwel op slag gedood is. Hij was 22 jaar oud.

Maandag 30 oktober:

We hebben thans weer voor het eerst een stille nacht beleefd. Toch om circa 2 uur werden we nog hevig opgeschrikt door een harde knal. Dat was van een vliegende onbemande bom, de zogenaamde V 1, die op Antwerpen gericht was. Deze werden afgeschoten vanuit een onbekende plaats uit Gelderland. De dag is rustig, alleen zit ons dorp tjokvol Canadezen en oorlogsmateriaal. Naar verluidt zouden ze Goes reeds gepasseerd zijn.

Wij hebben vandaag ruiten in de winkel gezet. We hebben de schuiframen uit de winkel er vóór getimmerd, daar glas nog niet te krijgen was.

Hedenmiddag zijn 5 mensen ter aarde besteld, die omgekomen waren bij de beschieting. Het waren:

Piet de Jonge

Adriana Pieper geb. Huissen

C.Kuyper, evacué

Joh. Dansen

M.C. van Hekken

Volgens de laatste berichten zou Bergen op Zoom gevallen zijn en er grote verwoestingen zijn aangericht. Ook ging het zeer losse gerucht dat 3000 Duitse parachutisten rond Bergen op Zoom zouden zijn geland, wat zeer twijfelachtig schijnt, maar toch weer de nodige schrik op de Mensen legt. We zijn weer naar boven gaan slapen.

Dinsdag 31 oktober:

Vanmiddag heeft de zeer droeve plechtigheid plaats gehad van de 7 slachtoffers die donderdag op Gawege zijn gevallen.

Om 11 uur is er een rouwdienst in de kerk geweest en om 12 uur zijn ze onder zeer grote deelneming ter aarde besteld. Op een bandenwagen stonden 6 kisten en 1 in de lijkkoets. Het waren

Jan Neels

de Heer Gunter, evacué

Adr. van Zweden    '

Kees van Zweden

Maatje Poortvliet

Jo Poortvliet

Marinus Meeuwsen

Aan de groeve van het massagraf werd het woord gevoerd door de Heer C.  Haverhoek, Wethouder der gemeente, daar onze Burgemeester in

 

70

 

gijzeling zat in Sint-Michielsgestel in Brabant. Door Ouderling G. van Velzen en door Dominee van den Berg. Onder plechtige stilte zijn allen in de aarde gelaten en zeer diep onder de indruk van deze droeve gebeurtenis, hebben allen de dodenakker verlaten. Een zeer passend monument staat op het kerkhof ter nagedachtenis aan hen die in de oorlog het leven hebben gelaten met de namen daarin gebeiteld. Ook zijn daar nog een 19 -tal Canadezen begraven en Duitse soldaten, welke in later jaren alle zijn opgegraven en in hun land herbegraven.

Woensdag 1 november:

Op deze dag was het Dankdag. 's Morgens preekte Dominee van den Berg uit Amos 3 vers 8: De leeuw heeft gebruld, wie zou niet vrezen, de HEERE, Heere heeft gesproken, wie zou niet profeteren?

’s Middags over 2 Sam. 24 : 25 :  En David bouwde aldaar de Heere een altaar; en offerde brandoffer en dankoffer. Alzo werd de Heere den lande verbeden en de plage van over Israël opgehouden.

De ganse dag was echter zeer rumoerig vanwege de vele drukte op ons dorp. Veel zware tanks op het Wegeling en in de Noordweg.

Donderdag 2 november:

Deze dag erg rustig, alleen veel zwaar oorlogstuig komt voorbij. Geruchten gaan dat de Engelsen en Canadezen bij de Sloedam zijn. Hedenmiddag is onder grote belangstelling vooral van de zijde van Het Rode kruis, Jan Hollestelle begraven.

Wij hebben het huis van Broer Johannes opgeknapt en getracht het zo goed mogelijk bewoonbaar te maken. Ook bij ons zelf hebben we alles zo veel mogelijk dicht gemaakt.

Vrijdag 3 november :

Deze dag was normaal kalm. Volgens de laatste berichten zouden de geallieerde legers over de Sloedam zijn, maar Middelburg, Veere en Vlissingen zijn nog in Duitse handen. Het schijnt dat bij Westkapelle veel Engelsen geland zijn door het gat dat ze in de dijk gegooid hebben. Nadere berichten wachten we af.

Johannes is met z’n gezin weer in zijn woning getrokken. We zijn er zo ver mee klaar dat het weer bewoonbaar is. Ze zijn al die tijd bij ons geweest, maar vannacht slapen ze weer in hun eigen huis.

Dinsdag 7 november:

Volgens de laatste berichten van Amerikaanse zijde zouden Veere en Middelburg bevrijd zijn. Arnhem, Gouda en Utrecht zouden zijn gebombardeerd.

Verlopen nacht woedde een Zuidwester storm met veel regen en koude. Wij moesten er om half 3 uit, om ramen op te stoppen, daar de kartonnen die we er voor gespijkerd hadden er af waaiden. Naar verluidt komen er nacht op nacht V 1's  over, die voornamelijk op Antwerpen zijn gericht.

Zondag 12 november :

’s Avonds om 6 uur gaat een grote landbouwschuur met aangrenzende stallen en hangars in de Fredericapolder in vlammen op, van de Heer Bonte. Oorzaak roekeloosheid van de Canadezen, die op die hofstede liggen ten gevolge van benzine. Hierbij gaat een grote

partij koren invlammen, wat ze juist de volgende dag zouden gaan dorsen.

Vrijdag 8 december:

's Avonds om circa 7 uur moeten we in de gang vluchten, omdat erg hard wordt geschoten op Duitse vliegmachines. Gelukkig wordt

 

71

 

hierbij niemand getroffen. Veel evacués komen weer aan uit Walcheren.

Dinsdag 12 december:

’s Avonds om circa 8 uur komt zeer laag een V. 1 over. Een schrikkelijk lawaai en het blijkt dat verschillende mensen deze goed hebben gezien. Later blijkt dat deze onder ’s Heer Abtskerke is neergekomen. Voor zo ver we vernemen geen mensen daarbij getroffen.

Ook komen weer geregeld mensen uit Walcheren daar dit geheel onder water staat, uitgezonderd Vrouwenpolder en Ritthem.

Donderdag 14 december:

’s Avonds omstreeks 7 uur een zeer harde klap. We vluchten gauw in de gang, maar het is ook zo over. Ze denken van een zeemijn maar vermoedelijk zijn het alle V 1 ’s die overal neerkomen.

Dinsdag 19 december:

Sedert lange tijd hebben we niet zulk een onrustige dag beleefd als vandaag. Het begon al vanmorgen om 7 uur, toen een zeer laag vliegende V 1 over ons dorp kwam van uit het Noorden.

In de Schelde even over Waarde schijnt deze te zijn ontploft. Daarna zijn er vandaag, daar het zeer mistig was en nevelig nog vele overgekomen, welke alle dichtbij ontploften. Naar verluidt is er ook een in de Zimmermanpolder terecht gekomen. Wij zijn daardoor weer in grote angst gekomen, daar deze veel erger zijn dan jagers en vliegmachines. Om 4 uur kwam er weer al één, welke ook even over het dorp Waarde in de Schelde is terecht gekomen.

Donderdag 21 december:

Nog steeds komen veel V 1 ’s over, maar nu gaan ze wel een enigszins andere richting uit, namelijk naar Rilland. Daar zijn er twee gevallen, een in buurt van het Vinkenisse en een dicht bij Bath. Gelukkig zonder mensen te treffen.

Zaterdag 25 december:

Een zeer onrustige dag. Vooral ’s avonds veel V 1 ’s, zodat we op bleven tot ruim 11 uur. We lagen even op bed, toen er uit Oostelijke richting twee aankwamen. We zijn allen uit bed gegaan en tot ruim half 1 opgebleven. Heel de nacht was erg rumoerig.

Zondag 24 december:

Een betrekkelijk rustige dag, alleen ’s avonds in het duister ging het weer beginnen, maar we zij toch om half 10 maar naar bed gegaan.

Gelukkig was het de hele nacht rustig.

Dinsdag 26 december. 2e Kerstdag:

Een prachtige winterse dag, veel mensen liepen te wandelen, maar om 4 uur komt weer zulk een hels monster over uit Noordoostelijke. -richting, zodat alle mensen snel wegvluchten. Hij komt precies de richting van ons dorp uit. Tussen Rilland en Krabbendijke zien we hem aankomen.

Een zeer vreselijk gezicht bij zulk een mooie heldere hemel, en jawel even over ons dorp ongeveer bij Gawege valt hij stil, om met donderend geraas tussen Wolfert en Mol in Oud-Valkenisse neer te komen. Gelukkig geen enkel mens getroffen.

Donderdag 28 december:

’s Morgens vroeg om 5 uur komt weer een V 1 over zeer laag. Hij vliegt gelukkig door en is waarschijnlijk in de Westerschelde ontploft. Op deze dag is ’s ochtends plotseling overleden Jacob Traas, zoon van Marien Traas aan diphterie. Hij was slechts 15 jaar en was de eerste en beste leerling van de Mulo-school, welke Meester Kuijt hier had opgericht.

 

72

 

We komen nu aan het jaar 1945:

Maandag 1 januari:

Verlopen nacht was nog al onrustig. Er komen veel Duitse vliegmachines over, waarop 's nachts veel wordt geschoten. Ook in de morgenuren vallen nog al wat V 1 's dicht in de buurt.

’s Morgens om half 10 komen er een hele vlucht Duitse jagers erg laag over waarop verschrikkelijk wordt geschoten. Het is een half uur achter elkaar zo erg, dat we, daar we gereed stonden ter kerk te gaan, zulks niet konden. Ze vlogen zo maar over de huizen en het afweer ging geweldig te keer, zodat de scherven overal in het ronde vlogen. Om 10 uur was het weer rustig.

Door deze scherven wordt nog een man gewond een evacué namelijk de Heer C. de Kok, afkomstig uit Schouwen en een schoonzoon van de weduwe van Boven, welke in de Baan woonde. Een granaat ontplofte daar in het achterhuis waar die mensen zaten. Zeer veel schade en ook werd een van de hoofdstukken der dochter, die daar zij nog de Zeeuwse dracht droeg precies door de helft getroffen.

Dinsdag 2 januari:

Een wel zeer onrustige nacht. Om half 12 komt weer een V 1 met veel geraas over het dorp, wat een zeer benauwd gevoel gaf. Boven Waarde is hij stil gevallen en ontploft.

Donderdag 4 januari:

Verlopen nacht was weer erg rumoerig. Om half 2 komt weer een V. 1 welke dicht in de buurt ontploft. In deze nacht zijn er 8 zeer dichtbij tot ontploffing gekomen. Maar dan ’s morgens om 8 uur komt er een uit de richting van de haven over de spoorlijn, welke boven ons dorp stil valt. Hij komt in de Maagspolder terecht. Even nadien komt er weer één aangevlogen uit de Noordoostelijke richting, welke vliegt over de dijk bij de Meiboom om precies bij de Zuidschans tegen de dijk aan de zijde Oostpolder uit elkaar springt.

Juist tegenover het huisje dat daar stond en waarin de Heer Adr. Kusee met z'n gezin woonde. Hierbij worden z’n vrouw en 6 kinderen getroffen, zodat ze direct naar Goes moesten worden overgebracht in het Ziekenhuis.

Gelukkig bleek dat de verwondingen niet van ernstige aard waren, maar hun huisje was geheel verwoest.

Zaterdag 6 januari:

Vanmorgen om circa 10 uur komt een V 1 precies in de richting van het dorp, maar gelukkig eer hij het dorp bereikt heeft ontploft deze in de Karelpolder, maakt een ontzettende slag, waardoor weer veel ruiten welke uit de beschieting nog heel gebleven waren nu weer kapot springen.

Heden zijn uit Wemeldinge een 160 -tal inwoners aangekomen, welke aldaar geëvacueerd waren uit Koudekerke. Geruchten gaan dat heel Wemeldinge moet evacueren, daar van over de Oosterschelde uit Schouwen een inval wordt verwacht, op Zuid-Beveland. Wat daar nu weer van waar is, moeten we weer maar afwachten. De toestand is echter wel kritiek.

Vrijdag 12 januari:

s Morgens om circa 5 uur komen weer een paar V 1’s over ons dorp, waarvan één recht op ons dorp aankomt. Vermoedelijk is de ene aangeschoten, daar deze stijf in de lucht blijft staan op plusminus 1 kilometer van het dorp. Vliegt daarna in brand in de lucht en valt op plusminus 100 meter afstand voor de haven in zee. Geweldige slag, waardoor weer veel glasschade. Ook bij ons valt weer een noodraam, naar beneden.

Overigens geen persoonlijke ongelukken.

 

73

 

Dinsdag 23 januari:

Om circa 3 uur ’s nachts komen weer veel V.1 ’s over dorp. Eén er van gaat met razende snelheid over het dorp in de richting van Waarde, die dan ook even voorbij het Gemeentehuis naar beneden ploft, met een ontzettende slag. Veel schade aan huizen en ook veel glasschade. Geen persoonlijke ongelukken.

Op deze dag wordt ’s middags on half 4 het electrisch weer ingeschakeld, nadat we sinds die bange nacht, vrijdag 27 oktober om half 8 zonder gezeten hadden.

Woensdag 7 februari:

Vanavond om 6 uur hebben we ons eerste partijtje papier weer ontvangen uit  Breda. Sinds augustus 1944 hadden we geen velletje meer gehad. Het was een partij van zegge en schrijve 50 kilo. Toch waren we er zeer blij mee.

Donderdag 8 februari:

Deze dag was weer erg onrustig met de V 1 ’s die alle dichtbij ontploften. Zo kwam er een vanavond om 6 uur uit Noordoostelijke richting precies over het dorp, die in de buurt van de Vliet neerkwam.

Bij ons weer een bovenruit kapot door de luchtdruk.

Zaterdag 10 februari:

Een dag, die voor Krabbendijke wel een onvergetelijke zal blijven.

Om ongeveer kwart voor 10 zaten we ’s avonds rustig in huis, toen we hevig opgeschrikt werden, door een V 1, die precies in de richting van ons dorp kwam.

Het was die avond bij de waarnemend burgemeester de Heer L. Vogelaar een zogenaamde feestavond, daar hij 50 jaar werd. De V 1 houdt plots stil boven het huis en stort met donderend geraas gedeeltelijk op het huis en er naast in het weiland. Een groot gedeelte aan de Oostzijde van het dorp krijgt daardoor grote vernielingen.

Ook bij ons weer 13 ruiten kapot. Liza had juist die dag naar bed gemoeten wegens diphterie, die hier nog al erg heerste.

Hij was net ’s avonds om half 8 ingespoten daartegen en mocht in geen geval uit bed. Gelukkig is hij niet erg veel geschrokken want men raakt zachtjesaan aan alles gewoon, al is het dan ook erg. Dit is echter met hem goed afgelopen.

Anders was het met die feestvierende menigte. Er waren een 30 -tal personen bijeen, toen het huis aan de Zuidwest achterzijde instortte, op de aldaar verblijvende personen. Er waren op slag 2 mensen dood. De Heer A.J.P. Kakebeeke en een soldaat van de Irenebrigade. Deze was een vriend van Ko Vogelaar.

Ook een verpleegster een vriendin van beide laatstgenoemde was zo zwaar verwond, dat ze direct naar Goes moest en onderweg nog stierf.

Zeer veel andere werden lichter of zwaarder gewond, onder andere een zoon van Dominee van den Berg, Johan, die een zware hersenschudding opliep doordat een brandende kachel op hem viel, alsmede de Heer I.J. Smallegange ook een hersenschudding. En nog tal van lichtere gewonden. Wij hebben toen Zondagsmorgens geen kerk gehad, wegens de schade aan deuren en dak der kerk, daar het veel doorregende. Ook zondagsavonds weer veel V 1 's die echter weer ver weg vielen.

Vrijdag 16 februari:

Weer maar een onrustige nacht. 4 à 5 V 1 ’s kwamen er tegelijk. Hebben dan ook maar weinig geslapen. Om circa half 5 komt er weer één precies op ’t dorp aan, die plots stil valt en met gierend en huilend geraas neervalt aan de Noorddijk, zo maar een 20 m. van het huis van Jan van de Berge, in een boomgaardje. Aan de omliggende huizen een ware verwoesting, ook in de Julianastraat

 

74

 

de Noordweg en ook aan de Stationsweg. Bij Pie was toen ook veel schade, terwijl ze vanzelf ook zeer geschrokken waren. Toch deden zich hierbij gelukkig geen persoonlijke ongelukken voor.

Vrijdag 23 februari:

Zulk een onrustige nacht als we nu gehad hebben, hadden we in lang niet gehad. Het begon al ’s avonds om 10 uur. Wel 50 of 60 van die schrikkelijke vliegende Bommen telden we, welke alle in de naaste omgeving terecht kwamen. We zijn er 's nachts nog een uur uit geweest.

Liza en Mientje mochten er niet uit wegens diphterie, maar ze zijn er toch maar uitgekomen. Echter niet naar beneden. Maar toch hoorden we niet van ongelukken.

Maandag 26 februari:

Een heldere morgen, maar die om circa 10 uur weer noodlottig zou worden voor Krabbendijke.

Een V 1 komt weer uit Noordelijke richting, zonder dat iemand het eigenlijk hoorde, doordat er een stevige wind woei.

Het schijnt dat hij in Bergen op Zoom al stil gevallen is. Plots giert hij naar omlaag precies in het eind van de Noordweg aan de Westzijde. Veel huizen kapot en veel gewonden, zwaardere en lichtere. Een kind van 3 jaar laat hierbij het leven. Was van een evacué een zekere de Voogd uit Domburg.

Deze was bij de weduwe van Luijk-Machielsen. Ook de Heer Jan Melis werd hierbij gewond, zodat hij een van zn ogen heeft moeten missen.

Het was een hele consternatie op het dorp. Deze huizen zijn later niet meer opgebouwd en geheel gesloopt. Het was daar waar nu de Veilinggebouwen staan.

Bij ons alleen in de winkel slechts een paar ruiten stuk.

Maandag 26 maart.

Vandaag hebben we van Kees en Ali uit Gorkum een brief gehad, die gedateerd was 12 september 1944. Deze was dus meer dan een half jaar vastgehouden door de censuur. We weten dus eigenlijk nog niet hoe zij het maken of zij nog leven en waar zij vertoeven.

De ongerustheid duurt dus nog voort.

Woensdag 28 maart:

We hebben een rustige 14 dagen beleefd, zonder vliegende bommen, maar nu zijn ze weer opnieuw begonnen. Ze komen nu meest  ’s nachts en vliegen gelukkig nog al over, om meest in de Schelde te vallen. Het is daarop dan ook wel gemunt om de scheepvaart op Antwerpen en het troepenvervoer te belemmeren.

Vannacht om circa half 3 komt er echter weer één, die hier stil houdt en neervalt in de boomgaard bij Vogelaar aan de Rijksweg. Wel veel schade, maar geen personen getroffen.

Donderdag 29 maart:                 

Vanmorgen om circa half 9 is een V 1 op het dorp Yerseke gevallen in een nieuw gebouwd gedeelte van de gemeente, hetwelk aan 7 mensen het leven kostte. Met zeer veel schade aan omliggende gebouwen. Daar er een nog al sterke wind stond hebben we er niks van gehoord.

Ook is er nog één gevallen bij C. Goud en Dijl aan de Havenoordse dijk op Waarde. Ook daar nog al veel schade, maar geen ongelukken. Sindsdien hebben we er geen meer gehoord.

Tot hiertoe dus over de oorlogshandelingen, die wij hebben moeten doormaken.

De Heere heeft ons wonderlijk gespaard, bij onderscheiding van velen die er het leven bij hebben ingeschoten. Alleen verkeren we nog steeds in ongerustheid over Kees en Ali. Postverkeer is er nog niet en treinen lopen er ook nog niet.

We zullen dus nog wat geduld moeten hebben.

 

75

 

Thans gaan we nog even een terugblik slaan op ons werk en gezin. Hoofdzakelijk hebben we nu getracht de omstandigheden van de oorlog en wat hiermede in verband stond zo goed mogelijk weer te geven.

Wat onze zaak aangaat: in de winkel was het gewoon treurig gesteld. Er was niets, maar dan ook hoegenaamd niets te krijgen en dan alles nog zeer duur of surrogaat.

In de drukkerij was het erg druk, vooral zeer veel werk voor Distributiekantoren en Bureaus daar letterlijk alles op de bon was.

Met de brandstoffen was het al erg treurig gesteld. Gelukkig hadden we begin december heel wat bomen weggehaald van achter de weide bij Zweedijk, die daar alle door de Duitse weermacht waren weggezet. Er waren zeer zware bij. We hadden er wel veel werk

aan om ze klein te krijgen, maar toch zodoende een hele hoop hout en dat kwam goed te pas.

Op dinsdag 30 januari hadden we een zeer bijzondere koude dag. De thermometer in de drukkerij kwam, hoe hard we ook stookten niet boven de 38 graden Fahrenheit uit.

De dag daarop was het weer in een klap omgedraaid en was het veel warmer.

Zeer tot onze vreugde, daar we dan niet zo hard hoefden te stoken.

Ook heerste in die winter en dat voorjaar erg de diphterie, waarvan we reeds in korte trekken melding maakten. Ook Mientje werd op 12 februari ingespoten en Bets kreeg griep op 13 februari. Maar gelukkig zij had geen diphterie.

Ze waren na 8 dagen allen weer beter. Op woensdag 7 maart kreeg ikzelf ook die ziekte en werd daarop direct ingespoten. 3 dagen later mocht ik voor het eerst naar beneden, maar moest nog wel binnen blijven.

Ik heb er echter nog lange tijd nadien last van gehad in mijn keel.

We komen nu aan Vrijdag 4 mei:

Deze dag is wel de meest historische en belangrijke uit de oorlog. Om circa half 9 ’s avonds wordt bekend gemaakt dat Duitsland heeft gecapituleerd.

Er is een grote en ongekende vreugde, alhoewel er nog zeer veel gezinnen zijn met grote bezorgdheid over hun geliefden, waarvan ze tot dusver nog niets gehoord hebben.

Er zitten ook zeer veel mannen en jongens in Duitsland en wat zal daarvan geworden zijn?

Hier op ons dorp zijn er hoegenaamd nog geen terug.

Toch zijn er een 80 weggevoerd. Ook wij zitten nog maar steeds in spanning over Kees en Ali.

Zaterdag 5 mei:

Vanmorgen vroeg begonnen de mensen al de vlaggen uit te steken. Deze dag zal wel een zeer historische in de geschiedenis van Nederland en de hele wereld blijven.

Ruim 5 jaren hadden we onder het bange, bange oorlogsgeweld verkeerd en hoe menigmaal hebben we het samen opgezongen het vers van de oude dichter:

Vest in bange en droeve dagen

Al Uw hoop op Hem alleen,

Schroom niet Hem om hulp te vragen,

Vest in bange en droeve dagen

Al uw hoop op Hem alleen

Hij kan helpen, Hij alleen

of/en

Gij hebt mijn ziel beveiligd voor den dood;

Gij rigt mijn voet, dat hij zich nimmer stoot',

Gij zijt voor mij een schild in allen nood;

Gij hebt mijn smart verdreven:

Uw dierb’re gunst is m’altoos bijgebleven

'k Zal, voor Gods oog, naar

Zijn bevelen leven Zoo word'

door mij Zijn naam altoos verheven;

Zoo word’ Zijn lof vergroot.

 

76

 

Want wat hebben toch talloze keren in doodsangst verkeerd. Wij waren altijd gewoon na de avondmaaltijd een psalmvers te zingen. De jongens konden goed orgel spelen en waar we graag zongen, deden we dit zolang maar mogelijk was. Maar menig keer is het gebeurd dat we half in al moesten ophouden, daar we moesten vluchten in de kelder of in de gang.

We hadden dan altijd ons noodkoffer en tas bij ons met de noodzakelijkste behoeften.

We hebben nog een doos vol scherven en kogels die we hier rondom ons huis hebben opgeraapt en uitgetrokken, maar de Heere heeft ons wel zeer wonderlijk gespaard. Zijn Naam mogen wij daarvoor groot maken.

En wat de toekomst ons brengen zal, wij weten het niet, Hij alleen weet het, maar de tijden zijn zeer zorgelijk en we moeten nu maar afwachten wat het worden zal.

Vrijdag 11 mei:

Voor ons een zeer blijde dag, daar we om circa 9 uur ’s avonds een brief ontvangen van Kees en Ali en nog wel gedateerd 10 mei, dus slechts van de dag daarvoor. Wij hadden al dagen in spanning gezeten hoe zij die wrede oorlog zouden zijn doorgekomen en zie nu, ook dit heeft God weer alles ten goede doen uitkomen. Via de Heer Faasse uit Goes hebben we het bericht ontvangen, dat ze het beide goed maken.

Dinsdag 15 mei:

Ook hedenavond om 5 uur kregen we weer een brief van Kees en Ali, maar deze was gedateerd 16 april, maar was langs een grote omweg gegaan, zodat deze nog later kwam dan die van 10 mei.

Het was wel heel erg jammer voor ons, daar de ongerustheid daardoor weggenomen was geweest, gezien de erge gunstige positie waar in zij verkeerden, de omstandigheden dan in ogenschouw genomen. Maar Gods wegen zijn niet onze wegen en Zijn gedachten niet de onze.

Vrijdag 18 mei:

Heden is Johannes van Johannes van Velzen uit Duitsland teruggekomen.

Hij was op 12 februari uit Kunzendorf voor de Russen gevlucht en naar Berlijn gegaan. Daar heeft hij de hele omwenteling en de inname van de stad meegemaakt. 7 weken aan een stuk onder bommen en granaatvuur. Hij heeft de Russen meegemaakt toen zij de stad innamen. Zo iets is verschrikkelijk. Wij gaan daar niet verder op in, daar er genoeg boeken over verschenen zijn. Hij is daarna geheel op z’n eentje gaan vluchten en heeft zo ongeveer 300 km per fiets afgelegd. Hij was een van de eersten die thuis was. Hij is goed gezond en heeft het goed gehad. Alleen in Berlijn was het niet uit te houden. Hij was om circa 11 uur thuis Voor zijn ouders een blijdschap en vreugde, die te begrijpen is.

Zaterdag 26 mei:

Vandaag is het Burgemeestersfeest geweest, daar onze Burgemeester uit zijn gijzeling is bevrijd. Zijn vrouw en kinderen waren naar hun familie gegaan en volgen later. Wij hebben hem zelf persoonlijk de hand gedrukt en gesproken. Ook hielden wij tijdens zijn gijzeling briefwisseling met hem. We hebben die correspondentie nog liggende. Natuurlijk erge blijdschap.

Op 20 juni toen kregen we een rouwbriefje dat ons deed schrikken. Namelijk het overlijden reeds op 9 maart van een zoon van Broer Ko uit Rotterdam welke toen geëvacueerd waren in Anna-Paulowna. Hij was dus al meer dan drie maanden overleden. Maar daar er geen postverbindingen waren konden ze niet eerder bericht doen. Het was Cor, die in de

 

77

 

bloeiende leeftijd van slechts 20 jaar gestorven was. Mede was dit wel een uitvloeisel van de ontberingen, die zij ten gevolge van de oorlog hadden moeten lijden. Het was voor zijn ouders een zeer zware slag, die nimmer uit hun geheugen zou gewist worden. De Heere ging dus met hen wel een zware weg van beproefing.

Op maandag 9 juli moesten toen van overheidswege alle Bankbiljetten van 100 gulden ingeleverd worden. Het zou dus nu aan de dag komen, want daar ging het om, op welke manier ieder aan dat geld gekomen was, omdat er zeer veel zogenaamde zwarthandel gedreven was in oorlogstijd en de herkomst daarvan aangetoond moest worden voor de belasting.

Het zou dan ook voor velen een belangrijke strop worden. Ik was goed bevriend met de Heer Willem Sonke en daar hij kassier was van de Boerenleenbank en deze biljetten daar moesten worden ingeleverd, vroeg hij mij om een dag te helpen bij die inname. Ik heb dit gedaan om hem te helpen.

Op woensdag 1 augustus zijn Liza en Gerard naar Gorkum gegaan, naar Kees en Ali. Gerard is daar toen 8 dagen gebleven.

Woensdag 15 augustus was het totale einde van de oorlog, daar op die dag Japan capituleerde, nadat op een paar steden atoombommen waren geworpen, welke totaal verwoest werden en duizenden mensenlevens verloren gingen.

Hiermede was dus een definitief einde gekomen aan de grote wereldbrand, die miljoenen mensenlevens had gekost, en zo veel verdriet en ellende had berokkend.

Op 22 september moest toen al het geld worden ingeleverd en kregen we per hoofd 10 gulden terug om weer mee te kunnen beginnen. Al het andere werd zogenaamd geblokkeerd. Het was een totale geldsanering.

1946:

Tot dusver had Liza altijd schriftelijke lessen gehad voor de opleiding van het Patroonsdiploma voor de Grafische vakken.

In 1945 echter waren we 7 maanden verstoken van overig Nederland en had geen lessen meer ontvangen daardoor. Hij moest op maandag 1 juli naar Amsterdam om examen te doen en was geheel enig uit Zeeland. Was nog al een flinke warme dag, ja snikheet zelfs. Hij moest daar 2 dagen blijven. Later bleek dat hij niet geslaagd was wegens achterstand in de Kostprijsberekening, al het ander was goed.

Op woensdag 31 juli moest Bets naar Tilburg om examen te gaan doen voor de akte nuttige handwerken. Zij kwam er gemakkelijk door. Dat was dus weer een meevaller.

Gerard was intussen ook geslaagd voor z'n Mulo-diploma. Hij zou ook het drukkersvak kiezen, maar wij wilden dat hij dan de opleiding zou volgen aan de School voor de Grafische vakken in Utrecht.

Hij wilde dit zelf ook. Wij hadden door tussenkomst van Kees en Ali een net kosthuis voor hem bij bekenden van hen en alles was in orde.

Op maandag 12 augustus vertrok hij naar Utrecht. Wij hebben hem

 

78

 

zelf gebracht en ook meteen een kijkje genomen in die school. Nou dat was daar een prachtzaak om een vak te leren. Ik had nog nimmer in een drukkerij en binderij zo veel prachtmachines gezien als daar stonden. Ook die directeur was een beste kerel.

Op donderdag 15 augustus gingen Bets en Mientje naar Vrouwenpolder om te kijken hoe de familie het daar had afgebracht. Zij waren echter alle gespaard gebleven en maakten het goed.

Op donderdag 15 augustus gingen Liza van ons en Liza van Johannes een paar dagen met vakantie. Zij gingen op 16 augustus naar Utrecht om te kijken hoe Gerard het maakte. Ze gingen met hun beiden op stap, maar 's avonds kwamen ze met z’n drieën terug. Gerard kwam ook mee terug.

Hij zag geen kans die lessen te volgen op zijn manier, daar zijn medeleerlingen alle jongens waren van H.B.S. of Lyceum’s. Hij gevoelde zich daarbij totaal minderwaardig. Hoe de Directeur de Heer de Jong ook met hem praatte en wij ook met hem correspondeerden, hij zag er geen gat in. Er hielp geen praten aan, hij voelde zich daarvoor onbekwaam. Maar wat nu?

Kennelijk komt hierbij weer tot uiting dat 's Heeren wegen wonderlijk zijn en als wij het van achter bekijken, wij dat wonder maar niet kunnen vatten. Want later zou blijken; dat de mens wel zijn weg overdenkt, maar de Heere zijn gangen stiert.

Hij is toen als volontair op het Gemeentehuis gekomen, wat blijken zal toch in Gods gunst te mogen zijn. Wonderlijk kan het gaan in s mensen leven. Wij hadden dit al zo menigmaal ondervonden en ook nu weer.

Op dinsdagavond 15 oktober sterft plotseling Broer Marinus van Velzen, om 6 uur. Hij had zeer zware hartaanvallen gehad de laatste weken en nu plotseling bleef hij er onder. Voor Zuster Nee een zware slag, daar zij alleen overbleef. Gelukkig voor haar hebben we een regeling weten  te treffen dat zij als enige erfgename alles kreeg wat onzes broeders was en zij in het huis kon blijven wonen en wat hij nog had over gespaard ook voor haar was.  Zij kon dus ongestoord leven en wij hebben dat alles voor haar geregeld in overleg met een notaris. Tot op heden leven ze daar nog tezamen met zuster Sanne.

In deze zomer kwam op kerkelijk gebied ook verandering, daar Dominee v.d. Berg een beroep had aangenomen naar Utrecht. Wij waren dus vacant.

Toen op Zondag 3 december 1946 trad voor de gemeente op Candidaat de Wit.

In de lege pastorie woonde toen de Heer A. van Hoepen met z'n vrouw.

Als naar gewoonte waren we 's morgens alle naar de kerk gegaan, daar ook moeder gaarne ter kerk ging en we alle elk ons eigen konden helpen en de meisjes vanzelf ook alles hielpen opruimen 's morgens. Lang op bed liggen was haar toch niet eigen, dus gingen we 's morgens ook altijd op. Maar daar krijgt zij onder de preek een inzinking, zoals later zou blijken te zijn in de hersens en moesten we haar in de pastorie dragen bij de Heer van Hoepen. Direct de dokter ontboden en zij is zeker ruim een half uur buiten bewustzijn geweest. Wij waren zeer verschrikt en ontroerd, alsmede de ganse gemeente, ja zelfs Candidaat de Wit.

Dokter Nieuwenhyse constateerde een lichte beroerte, wat haar later leven zou beïnvloeden, zoals hierna zal blijken. Wij hadden zeer veel medelijden met haar en ook het medeleven uit de gemeente was bijzonder groot, van alle zijden. Zij was altijd zo dapper geweest en werkte altijd met lust

 

79

 

en opgewektheid, maar nu zou het anders moeten worden. Zij moest 3 weken volkomen rust houden en de Heere stuurde het zo dat ze er weer aardig bovenop kwam. Toch zou het voor haar later leven schadelijke gevolgen hebben, wat ook weer nader zal blijken. Haar gestel was daardoor zeer geschokt.

Was zij altijd erg week van gemoed geweest, het werd nu nog erger. Hoe menigmaal hebben we het niet beleefd met haar, wanneer iemand begraven werd en wij er naar keken wanneer de begrafenisstoet voorbij trok dat ze hard stond te wenen over soms ons geheel vreemde, althans weinig bekende mensen.

Ik zeide dan wel eens tegen haar: Maar mens, dat moet je niet doen.

Ge kunt toch de lasten van heel de mensheid niet dragen. Over jou zullen ze dat ook niet doen, als je komt te sterven. Maar wanneer het een erg treffend sterfgeval of door ongeval was, dan was dat erg met haar.

Wel een bewijs hoe ze meeleefde met de mensen.

1947

Op dinsdag 11 februari kregen we weer nieuwe spiegelruiten in de winkel, daar we sinds 27 oktober 1944 dus ruim 2 en een half jaar met noodramen voor gezeten hadden.

Glas was er niet te krijgen en wanneer er nog wat was, er was zoveel kapot dat het mondjesmaat verdeeld moest worden.

Het was toen een barre koude dag, geheel de maand februari echter, zodat het op 28 februari nog hard vroor, en er veel sneeuw lag.

Intussen was Burgemeester Sandberg benoemd tot Burgemeester van Middelburg en was de secretaris de Heer J. Vader Jr tot Burgemeester van Kr. benoemd. Hij is 13 maart geïnstalleerd.

Op dinsdag 1 april zijn we beiden ter begrafenis geweest naar Hansweert. Piet Kriekaard was gestorven en hij en z’n vrouw waren erge vrienden van ons en zij nog een nicht van Moeder, zoals reeds eerder vermeld.

Hij was slechts enkele weken ziek geweest en zou nog datzelfde jaar met pensioen gaan. De Heere beschikte het echter anders.

Op dinsdag 3 juni een snikhete dag, zodat de thermometer in de drukkerij 88 graden aanwees. Op de dag daarna zulk een sterke afkoeling dat het 20 graden minder is. En de dag later nog al kouder.

Op dinsdag 10 juni moest Liza weer naar Amsterdam voor examen te doen voor het Patroonsdiploma.

Op dinsdag 17 juni ben ik zelf naar Gorkum geweest naar Kees en Ali en ben daar toen blijven slapen, daar ik de volgende dag ter vergadering moest in Utrecht van de Bond van Chr. Drukkerspatroons.

Toen op vrijdag 27 juni een snikhete dag als we nog nimmer in de drukkerij zolang we daar in waren gehad hadden. De thermometer wees toen 94 graden en konden we niet meer werken.

Op maandag 22 september zijn we samen naar Gorkum geweest voor Kees z'n verjaardag en zijn we 's Woensdags doorgereisd naar Rotterdam.

We zijn toen ook nog samen per fiets naar Andel en Woudrichem geweest. Het was 34 jaren geleden sinds we daar samen ook geweest waren.

Wij hadden dan ook goede moed dat het met haar gestel goed in orde zou komen en dat zij van de inzinking sinds december niet veel had overgehouden.

Zij kon weer goed haar werk doen en op reis ondervond zij niét de minste last daarvan. Wat heeft zij een paar dagen het best naar haar zin gehad, hoewel ze weer zo blij was, toen zij thuis was.

 

1948:

 

80

 

1948

Op woensdagavond kwart voor 7 sterft onze overbuurvrouw Maria Oudeman, Weduwe van Anth. de Kok. Wat heeft onze lieve Vrouw en moeder tijdens haar langdurige ziekte dat mens veel geholpen. Als ze maar even tijd had, wipte zij de straat over om haar te gaan helpen daar ze maar geheel alleen was. Zij deed dit gaarne en wij lieten ze maar stilletjes begaan.

Op donderdag 1 april ben ik toen zelf weer naar Amsterdam gegaan voor het afnemen van examens voor de 4 -jaars leerlingen in het Grafisch Bedrijf. Ik was namelijk gekozen als Penningmeester in de Districts Opleidingscommissie voor Zeeland. Uit elke provincie werden er 2 aangewezen. Was wel interessant en leerzaam.

Toen op Dinsdag 11 mei zijn wij samen met onze lieve Vrouw en Moeder en Broer Johannes en z’n vrouw met nicht Suzan Jacobusse, uit Amerika naar Walcheren geweest. Zij was zoals ik reeds eerder meldde een dochter van Oom Louis Jacobusse en wilde toch graag de geboorteplaats en de Familie van haar Vader eens zien. Ook was zij erg benieuwd naar de afloop van de oorlog die hier gewoed had en waarvan zij geen idee hadden daar zij er wel van gehoord en gelezen hadden, maar toch feitelijk niets van gezien.

Zij was op 30 april te Roosendaal aangekomen uit Rotterdam en wegens de onbekendheid van Nederland zijn we haar tot Roosendaal tegemoet gereisd. Diverse foto’s ook van dit reisje hebben we in ons album. Zij heeft hier veel gezien en genoten en zij was een zeer aangenaam meisje, hoewel zij ook al 38 jaar oud was. Zij was ongehuwd en leefde nog met haar Vader alleen. Wij zijn door het vernielde Walcheren en ook Zuid-Beveland gereden en alles zo veel mogelijk haar laten zien. Met de aangenaamste herinneringen is zij weer terug gegaan. Wij horen nu echter nimmer meer van haar.

Op maandag 28 juni hebben we weer een nieuwe leerling voor de drukkerij aangenomen namelijk Huib Murre Cz. Het werk nam steeds toe en wij konden die best gebruiken.

Op 9 september ben ik naar Rotterdam geweest daar Dominee Kersten werd begraven. Hij was op Waarde gestorven. Zeer grote belangstelling uit het hele land.

Doordat het werk steeds toenam en er ook veel meer werd verdiend omdat de prijzen bar waren opgelopen was onze zaak geheel schuldvrij. Wij kregen geld over en aan ruimte kregen wij hard gebrek.

Wij konden met 4 man niet meer staan in de drukkerij en moesten dus uit gaan zien naar uitbreiding óf iets anders. We begonnen dus plannen te maken voor een geheel nieuwe drukkerij achter het bestaande huis. Daar we echter niet voldoende grond ter beschikking hadden, deden we een aanvraag aan de Diakonie der Hervormde Kerk, daar het achter liggende perceel grond eigendom van deze was. We konden daar een stuk van in erfpacht krijgen en dit ging door. We zaten echter vast met het bouwmateriaal, daar alles nog zeer schaars was en zowat op de bon. Zelf waren

 

81

 

wij in het bezit van veel hout, daar we veel veranderingen meteen wensten te doen aan ons huis. Alleen voor de zolder in de drukkerij kwamen we hout tekort.

Wij hebben toen zelf een ontwerptekening gemaakt van alles wat we wilden nieuw hebben en ook van de nodige verbouwingen aan het oude huis.

Alle aannemers op Krabbendijke hebben we aangezocht, maar daar er zo erg veel kapot was zaten ze zo druk dat ze op korte termijn er geen kans op zagen ons te helpen. En het moest vlug voor de winter klaar zijn.

Wij hebben toen ons in verbinding gesteld met de heer J.J. van Gorsel uit Scherpenisse, die hier in de buurt veel bouwde en deze zag er kans op alles voor Nieuwjaar klaar te krijgen. Ook hout kon hij nog wel vast krijgen. Hij wilde het alles zo maar in daggeld uitvoeren. We konden dan net zoveel wijzigen bij de bouw als we zelf wilden. Dat was dus zeer gemakkelijk. Viel het mee, dan hoefden we niet te betalen, viel het tegen dan vanzelf bijbetalen. Hij begrootte de hele zaak op circa 10000 gulden. Hij begon met man en macht. Het is nog gebeurd dat hij met 14 man bezig was. Maar wij moesten onderdak zoeken voor de drukkerij, want we konden natuurlijk niet blijven werken in de oude drukkerij, daar deze tot keuken verbouwd zou worden. Ook dit was vlug opgelost.

Op de Armen Boomgaard was een schuur van Polderman, die hij maar zo wat als rommelschuur gebruikte en we konden die huren om er zolang in te werken. Wel was het een heel karwei om de machines over te brengen, doch dit viel erg veel mee. Ook was er electrisch in die schuur, dus we konden met weinig kosten daar ons behelpen.

Op maandag 11 oktober zijn ze begonnen te bouwen en het weer was erg  mooi dit najaar, wat voor ons weer een grote zegen was, daar we in die schuur niet konden stoken. De Heer van Gorsel heeft woord gehouden en reeds op maandag 6 december konden we de nieuwe drukkerij in gebruik nemen, zo ze thans nog is. Veel ramen en veel licht en veel gemak. Op 7 december werden alle machines geplaatst.

Dit is wel een van de belangrijkste feiten uit ons leven geweest. Gode alleen de ere, die ons tot dusver rijkelijk had gezegend. Tijdens de verbouwing hadden we ons wel eens moeilijk moeten helpen, vooral in de Woonkamer, daar de kozijnen daar uit zijn genomen en een groot drielichtkozijn in is geplaatst, maar het kwam voor elkaar en we zaten fijn en gemakkelijk.

Een ruime papierzolder, waar ik zelf later rekken op heb gemaakt, met nog een vliering tot berging van allerlei archieven.

Wij hebben toen ook tegelijk achter in de tuin, daar waar vroeger het kippenhok stond een stenen schuurtje laten bouwen, waar wij ook tot op heden zeer veel gemak van hebben evenals het daarin aanwezige kolenhok.

Wij lieten in de oude drukkerij een mooie keuken met bijkeuken en W.C. maken, een en ander zoals het nu nog is.

1949:

Op 13 januari heb ik een nieuw kippenhok gebouwd, daar waar het nu nog  staat.

Op kerkelijk gebied kwam in augustus een grote verandering, daar we weer een eigen predikant kregen in de persoon van Dominee J.B. Bel die in Dirksland stond en het beroep naar hier had aangenomen.

Thans moeten we aan een droeve periode beginnen. De toestand van onze lieve Vrouw en moeder was van dien aard, dat we dokter moesten gaan raadplegen, omdat ze niet meer voldoende lopen kon en steeds klaagde over haar benen, wat wij ook zeer goed zagen. Het beendergestel werd steeds

 

82

 

zwakker en het lopen was erg vermoeiend. De dokter wist er ook geen uitweg op, zodat hij ons raadpleegde naar een specialist te gaan. Wij zijn toen naar dokter Drukker gegaan met haar en deze heeft ze grondig en zeer nauw onderzocht, maar kon niet vaststellen wat het eigenlijk was. Ook wij hadden er zelf nog geen erg in dat zulks nog een nawerking kon zijn, van de inzinking, die zij in 1946 had gehad. Zij was altijd goed geweest en we dachten daar haast niet neer aan. Toch zou blijken dat dit wel degelijk de oorzaak was. Het zou het begin worden van een langdurig lijden. Op maandag 12 september zijn we dan met haar naar Goes gegaan, maar zonder resultaat bij Dokter Drukker. Deze verwees ons naar Dokter Scherphuis, een zenuwspecialist. Deze adviseerde na onderzoek dat ze in het Ziekenhuis moest worden opgenomen ter observatie. Zij heeft hier op de tweede klas gelegen. Hoelang zulks nodig zou zijn, kon hij moeilijk zeggen, maar hij zou het serieus onderzoeken en helpen zo veel mogelijk was. Maar op woensdagavond 21 september riep hij mij bij zich voor een en ander mee te delen omtrent haar gestel.

Nu wilde zij graag de volgende dag thuis zijn omreden Kees dan jarig was en dat ze graag thuis mee wilde vieren. Hij zei; laat ze maar gaan, er is weinig aan te doen het zou een genezing worden op lange termijn.

Ik zei hem, dokter, dan is het ongeneeslijk, maar hij haalde toen maar zijn schouders op. Hij vertelde mij dat hij gevonden had wat

zij scheelde en dat was een stremming in de bloedvaten, mede een oorzaak van de aanval die zij gehad had.

Het kwam voort uit de hersens en de bloedsomloop was geheel gestoord. Dit veroorzaakte een verlamming in de benen, met al de gevolgen van dien. Zij had echter geen pijn, maar het lopen ging al maar meer bezwaarlijk.

In die tussentijd was Kees en Ali op Krabbendijke komen wonen, wegens het overlijden van de Heer A. Weststrate en de kinderen deze zaak verder gingen voort zetten, zodat hij één der medebestuurderen werd. Het huis waarin Weststrate woonde hebben ze toen laten verbouwen, zodat hun moeder beneden en zij boven konden wonen.

Ook is bij ons nog bijgekomen in de drukkerij de Heer Jaap van Boven, die altijd aan de Veiling was geweest, maar wij konden hem nog best gebruiken wegens toename van het werk. Hij is een jaar 4 à 5 bij ons gebleven.

1950.

Op vrijdag 27 januari hebben we een drukkerij-Binder in dienst genomen, namelijk Jan Moerland van Rilland. Hij had een schoolopleiding gevolgd in Goes, doch daar deze opgegeven moest worden als hebbende geen erkenning stond hij zonder werk. Hij heeft toen bij ons zijn schriftelijke opleiding gedaan en in de praktijk uitgewerkt. Hij heeft dan ook zijn examen gedaan en is geslaagd. Tot op heden is hij nog in onze dienst en is een goed vakman. Eén dezer dagen is het 10 jaar geworden dat hij bij ons is gekomen.

Sinds enkele jaren had Liza kennis gekregen aan een meisje, namelijk Nel Overbeeke. Zij was een dochter van Lou Overbeeke en Maria Sinke, welke vroeger jaren hier aan de Oostweg woonden. Maar zij hadden 15 jaar in Rotterdam gewoond in een Groentenhandel. Na de oorlog hadden ze deze verkocht en zijn toen hier komen wonen.

Zij was dus eigenlijk toch een geboren Krabbendijkse. Hij wilde echter gaan trouwen en wij vonden dat zeer goed. Hij kon dan later de zaak zelf drijven en dan dient men toch zeker gehuwd te zijn. Daar kwam nog bij dat ze een woning konden krijgen op de Oostdijk. Het hoofd der School aldaar de Heer Koppejan was naar Gouda gegaan en de Heer L. Pieper van Waarde was toen daar benoemd in

 

83

 

zijn plaats, maar daar deze ongehuwd was en geheel geen meisje had, kon hij met dat huis, die grote onderwijzerswoning niet veel uitrichten. Zij zijn toen overeengekomen dat hij in dat huis kwam wonen en slechts één kamertje moest voor hem privé zijn ter zijner beschikking. Zij konden dan voor het kostgeld dat hij moest geven voor niks wonen. Hij ging toch elke avond naar huis naar Waarde. Een en ander was dus voor hen wel zeer gemakkelijk.

Op woensdag 15 februari, dus juist op mijn verjaardag (61 jaar) zijn ze getrouwd. Dominee Bel heeft hun huwelijk kerkelijk bevestigd met de tekst uit Psalm 91 : 1 - 4.

Ook toen was moeder nog in de staat dat zij mede op een foto kon, welke alle in ons Familie-album staan.

Liza heeft toen een motorfiets gekocht, zodat hij gemakkelijk heen en weer kon.

Ook hebben we hem in die tijd meteen laten opnemen als firmant in onze zaak.

Het drukwerk nam steeds meer en meer toe, zodat we besloten nog een pers bij te kopen. Er was een goede Victoria degelautomaat te koop bij een Firma van de Endt in Rotterdam, waar we naar toe zijn geweest op dinsdag 21 februari. De dag daarop zijn de beide Liza's deze wezen halen.

Het was zoals gezegd een Victoria Mercuur met afrijbaar apparaat voor inleg. Deze werkte nauwkeurig en goed.

Op dinsdag 26 en 27 sept. ben ik toen een paar dagen uit geweest naar de Conferentie van Drukkerspatroons in de Pietersberg bij Oosterbeek. Ook hiervan nog een foto in ons album.

1951:

In dit jaar hebben we een huis gekocht voor Liza aan de Beatrixstraat Nummer 10 . Vanwege de Gemeente Krabbendijke werd daar een rij woonhuizen gebouwd voor de verkoop. Aangezien de prijs niet hoog lag,  8600 gulden met ruim 2100 gulden rijkspremie zodat voor circa  6500 gulden zulk een woning te koop was hebben we er een gekocht. Omstreeks Juli is Liza toen verhuisd.

Was voor hen en voor ons natuurlijk zeer gemakkelijk, zo dichtbij zijn werk en de zaak. Waren goede woningen en erg geriefelijk.

Op dinsdag 29 en woensdag 30 mei ben ik ter vergadering geweest van de Federatie van Boekdrukkers in Leeuwarden. En op 7 juni hebben we met Jan Moerland, Jaap van Boven en Huib Murre een excursie gemaakt naar de Lettergieterij Amsterdam.

Wegens het nog maar steeds toenemen van het werk, gingen we weer onderhandelen voor aanschaffing van een Snelpers. We konden een goed gereviseerde "Spies-Automaat" kopen van de L.A. en deze koop ging door. Op 3 juli d.a.v. is deze aangekomen. Helaas zouden we van deze machine niet veel vreugde beleven. Viel erg tegen.

Toen op donderdag 6 september hadden we weer een vreugdevolle dag. Op die dag namelijk trad Mientje in het huwelijk met Ko Overbeeke een broer dus van Nel, Liza's vrouw. Zij was door hem met correspondentie in aanraking gekomen, toen hij in Indië vertoefde. Hij heeft daar aan die politionele actie deelgenomen en was parachutist. Maar met de overdracht

 

84

 

van Indië moest hij ook terug keren. Hij is toen bij de Politie in Dordt gekomen, waar zij dan ook na hun huwelijk zijn gaan wonen.

Ze zijn ook kerkelijk bevestigd door Dominee Bel uit Psalm 20 vers 2 en 3.

In Dordt zijn ze een paar keer verhuisd en hadden daar de laatste keer een prachtwoning. aan de rand van de stad, maar ze zijn naar West-Indië vertrokken. Doch dit later.

1952:

Op donderdag 31 juli moest Gerard in militaire dienst en is gegaan naar Vught bij 's  Hertogenbosch.

Op maandag 10 november hebben we de Mercuur automaat verkocht aan een drukkerij Labomerus uit Schiedam. Plaatsgebrek deed ons daartoe overgaan.

Ook beviel ons die Spies Automaat totaal niet. Wij kwamen na rijp overleg tot de conclusie een splinternieuwe Snelpers aan te gaan kopen en wel een Heidelberger Cylinder Automaat.

Was wel een heel waagstuk daar zulk een machine  30000 gulden kostte. Maar weer was het de Heer van Doesburg, die ons al meer in de goede richting had geholpen en tot op heden is deze toezegging niet beschaamd, dank zij Gods hulp.

Op dinsdag 25 nov. komt een zekere monteur Kok uit Amsterdam om die Spies weg te halen. We kregen daar toen nog 10000 gulden voor. Maar de financiële zijde was gauw geregeld en reeds 's middags om 4 uur kwam een grote auto met oplegger voor met 6 reusachtige grote kisten met de nieuwe machine. We moesten het deurkozijn uit de achterdeur er voor uitzagen, daar ze er anders niet door konden. Maar het liep alles gesmeerd en 's anderen daags kwam reeds de Heer de Groot, die een expert was op dit gebied om de machine op gang te helpen en het ons te leren.

Op donderdag 27 november stond des middags om 4 uur de hele machine in elkaar. Het wachten was nu nog op de aansluiting van het electrisch net. Op maandag 1 december in de avond heeft de machine voor het eerst proef gedraaid en dinsdag daarop eveneens, het liep uitstekend. Een zekere heer Zwaneveld kwam verder onderricht geven. Juist hadden we een prachtoplage van Kerstfolders te drukken voor grossierderij "De Kroon" te Hilversum. Een oplage nog wel van 70000. Was dus een mooi begin.

Op die zelfde dag ben ik naar Leiden geweest, waar begin januari een grote Drukkerij veiling zou worden gehouden van Firma  Mulder & Co.

De monteur en drukker Zwaneveld is toen vertrokken nadat alles punctueel door hem verzorgd was en de jongens er best mee konden omgaan.

Later zal weer blijken dat de voorspellingen aangaande deze machine weer goed uit zijn gekomen. We hebben er niet anders dan veel genoegen mee beleefd en goed geld mee verdiend.

1953 Het Rampjaar:

Zoals reeds aangestipt was ik naar Leiden geweest ter bezichtiging van de daar te veilen machines. Op 19 januari was deze veiling en heb ik daar gekocht een Snijmachine met motor, compleet. Een trapperforeermachine en een ijzeren insluitplaat op onderstel. Alles voor nog geen 1000 gulden.

Wij waren nu compleet gemotoriseerd en van alles fijn voorzien. We hadden nu nergens meer mee in te zitten als er soms moeilijk werk kwam, gelijk

 

85

 

we tot op heden altijd hadden moeten doen.

1 februari 1953:

Een zeer droeve en gedenkwaardige nacht van zaterdag 31 januari op 1 februari en onvergetelijk in ons aller leven. Hoewel de Heere ons allen zeer wel en wonderlijk heeft gespaard, dit bij onderscheiding welke door de zeer bitterlijke ramp om het leven zijn gekomen.

Des avonds om 6 uur of half zeven steekt een zeer zware Noord-Wester storm op omlopend naar het Zuid-Westen, welke later tot een zeer zware orkaan aangroeit.

Gerard is om half 6 uit Deventer thuis gekomen, naar welke plaats (Schalkhaar) hij inmiddels was overgeplaatst. Hij kwam slechts een Zondag over en is ’s avonds naar zijn meisje gegaan, namelijk Corrie Sinke, dochter van Jan Sinke en Wilhelmina Butijn.

Hij had daar kennis aangekregen tijdens de bruiloft van Liza. Zoals gewoon ging hij daar ook nu wanneer hij thuis kwam naar toe. Om 7 uur is hij weggereden en ikzelf ben nog naar een Oom en Tante van mij geweest (Adriaan van 't Leven met z’n vrouw) in de Doelstraat. Deze oom was juist 's middags om half 1 overleden aan een hartziekte.

Ook tegelijk nog naar Broer Piet van Velzen, die daar slechts een paar huizen vandaan woonde en deze waren allebei, hij met z'n vrouw ook ziek. Hij leed aan hersenverkalking en zij had waterzucht.

Allen zijn dan ook een paar jaar later overleden, uitgezonder de vrouw van Adriaan van 't Leven, welke haar man slechts 5 dagen heeft overleefd.

Maar toen ik terug naar huis reed, kon ik niet meer tegen de wind op en moest maar lopen.

Om circa 11 uur zijn we naar bed gegaan, maar van slapen zou niks komen.

De dakpannen lichten op van het dak. We dachten elk ogenblik dat de sirene zou gaan loeien, vanwege dijkdoorbraak, daar de wind precies op de dijk aan de dan de Westerschelde zat en beukte.

Toen om circa half 1 is Gerard nog naar huis gekomen, wat we eigenlijk heel niet verwacht hadden, met de gedachte: hij zal daar vanwege de storm wel blijven slapen.

Hij is meer naar huis gevlogen dan getrapt op zijn fiets. Hij had de wind in de rug.

Om circa kwart voor 4 valt het electrisch licht uit. Verbroken door de wind en zitten we in het donker. Om even over 5 komt Gerard ons roepen, hoewel we volkomen wakker waren en hij zei dat de Brandweer over het dorp reed met loeiende sirene. Klok werd helaas niet geluid. Wij hebben nog door het zolderraam iemand aangeroepen, die daar voorbij reed per fiets, maar het roepen ging in de storm verloren.

Toen om 5 uur begon de klok te luiden en zijn we naar het Gemeentehuis gegaan. Alle mannen werden opgeroepen om te gaan helpen en zoveel mogelijk bijstand te bieden aan in nood verkerenden. Het was voornamelijk op de Oostdijk, waar alles al onder water stond en reeds de watervloed 7 slachtoffers had geëist.

Een zeer groot gat was geslagen in de dijk bij de Veerhaven aan de Perkpolder waardoor het water met bruisend en donderend geweld de Kruiningse polder instroomde. De aanlegsteiger was reeds in de polder geworpen, alsmede de veerboot eveneens. Deze boot lag thans in de laagte bij Lugtenburg, en de pont een eind verder tegen de Lavendeldijk. Naar verluidt heeft deze boot doordat hij over de dijk is geworpen het onder aan de dijk staande huis in zijn vaart meegenomen en totaal vernield, terwijl de bewoners er nog in waren. Het hele dorp Kruiningen en de Oostdijk kwam onder water te staan en de stroom sleepte alles met zich mee.

Zeer veel mensen vluchtten op de zolders en op daken, terwijl velen zijn verdronken. De wind was weer meer naar het noordwesten gedraaid en met huizenhoge golven vloog de storm en het water alles met zich slepende in de hoek bij de Oostdijk

 

86

 

Hoe hard de Oostdijk het dan ook te verduren heeft gehad is wel later gebleken. Veel huizen werden geheel met de grond gelijk gemaakt en volkomen vernield.

Gerard had om 12 uur de familie Sinke verlaten en nu was hun huis al om 's morgens half 6 totaal weg. Ze hadden zelf amper het vege lijf nog kunnen redden en moesten in haast de dijk op vluchten, alles achter zich latende. Om kwart voor 5 is een vrachtauto van Kruiningen gekomen met luide claxon over de Oostdijk. De mensen vroegen toen: wat moeten we doen, maar er werd geen antwoord gegeven. Alleen dat een groot gat in de dijk bij de Veerhaven was geslagen, dat was alles wat ze meedeelden.

Bij Sinke zijn ze toen weer naar huis gegaan om hun veestapel aan de dijk te brengen. Hij is met z'n jongens in de schuur gegaan om de beesten los te maken, maar hij zelf was nog maar net met z’n paarden aan de dijk terwijl zn vrouw met de dochters in huis al tot aan de knieën in het water stonden en zo gauw mogelijk naar de dijk zien te komen, daar het water met de minuut onrustbarend steeg. Zijn 2 jongens, Han en Henk moesten op de hooiberg in de schuur kruipen om niet door het water verzwolgen te worden. Zij hebben doordat zij boven op die hooitas kropen naast God hun leven daaraan te danken. Getracht hadden ze nog in hun woning zoveel mogelijk huisraad enz. op zolder te brengen maar dit duurde maar kort, daar ze ras moesten gaan vluchten.

Zij hebben toen elkaar allen vastgepakt en zo op de dijk gevlucht. Eer ze boven op de dijk waren stonden ze reeds tot aan hun middel in het water en sloegen de golven over hun hoofden heen. Zij waren echter Goddank gered. Aan de andere zijde, dus in de Waardse polder hebben ze toen een toevlucht gevonden, waar alles in die huizen reeds volgepropt met mensen zaten.

Dit zou helaas ook niet lang duren, daar ook deze polder spoedig zou inlopen. Ze zijn al vroeg in morgen naar Krabbendijke gekomen. Het was toen ongeveer half 6.

Om 8 uur zijn Kees en Liza en Gerard naar de Oostdijk gereden met de auto van Kees en ook nog met de fiets, en Kees heeft nog getracht de Vlietweg op te rijden, maar daar het water steeds hoger steeg moest hij het opgeven. Gerard was doorgereden naar de Oostdijk, maar de aanblik die daar te zien was, was verschrikkelijk. Liza en Gerard troffen Sinke aan, die vroeg aan Liza; kom eens naar mijn huis kijken, maar inderdaad bedoelde hij dat z'n 2 jongens nog in de schuur zaten. Dat was allerbeangstigend. Er zaten toen nog verschillende mensen op het dak, maar er was geen mogelijkheid om er bij te komen. Later op de dag, toen veel scheepjes en boten uit Yerseke aankwamen om te redden zijn ze allen gelukkig gered.

Wij zijn zelf na de middag wezen kijken en hebben daar het treurig schouwspel mee gemaakt een vrouw van onder de aangespoelde en aan de dijk geworpen huisraad van onder deze uit te halen, welke vermist werd.

Het was de weduwe Minnaar-Pouwer, welke een huisje verder woonde dan Sinke, met haar dochter, die nog zwemmende de dijk had kunnen bereiken. Zij is echter zeer jammerlijk omgekomen en zoals gezegd vonden we juist toen 's middags haar lijk.

Zo was de zoon van Harthoorn met z'n moeder op z'n  rug gaan vluchten, maar doordat hij in een kuil stapte, viel z’n moeder van de rug af en moest hij ze voor zn ogen zien verdrinken. Pas enkele weken later is zij gevonden.

Een zeer groot gat was in de Lavendeldijk geslagen, waardoor een stroom ontstond een kreek vormende waarin het water vrij spel had en die steeds dieper werd. Met man en macht is men toen begonnen een damwand van palen te slaan om deze stroom te keren.

Bart Verschuure en z'n zuster Coba zijn daar ook jammerlijk verdronken. Ook Rilland-Bath en alle omliggende polders waren doorgebroken, zodat wij hier op Krabbendijke rondom in het water zaten ingesloten. Het werd dan ook hier wel erg kritiek, maar de Heere heeft ons gespaard en we hebben

 

87

 

geen last van het water gehad, hoewel wij wel ogenblikken gehad hebben, dat het zeer nabij was.

Zo hebben we het op een daarop volgende zondag gehad, toen de wind weer erg aanwakkerde en precies op de Grote Dijk bij Gawege zat, dat alle mannen weer werden opgeroepen om de gaten te gaan dichten die er in geslagen werden. Want dan zou ook Krabbendijke onderlopen.

Ook kwam in die bange dagen een bevel van hoger hand dat alle mannen boven de 60 jaar en alle vrouwen en kinderen moesten weggebracht worden uit de gemeente en hier niet konden blijven. Ik ben zelf niet meegegaan en hier gebleven.

Onze lieve Vrouw en Moeder met Bets en Pie en haar kinderen zijn toen gegaan naar Epe in Gelderland, terwijl alle inwoners naar Brabant werden geëvacueerd. Maar die op eigen risico naar Familie of vrienden kon werd zulks toegestaan. De Heer van Houte een kennis van Jan Weststrate en Pie hadden daar goede vrienden en familie en wij konden daar mee naar toe. Omdat deze plaats in de zomer altijd een toeristenplaats was, was daar pensiongelegenheid genoeg. En op de Veluwe zaten ze hoog en droog. Was wel wat ver weg, maar met een auto komt men overal.

Die familie waar wij dan hen naar toe zouden brengen was afkomstig uit Hansweert. De man was ambtenaar bij de belastingen en bewoonde daar alleen met z'n vrouw een zeer groot huis. Het was de Familie Wiskerke en zeer beste mensen. We onderhouden tot op heden nog vriendschap met hen.

Wij zijn toen met 3 auto’s vol kleren en goederen op Zaterdagavond 7 februari vertrokken naar Epe. Maar we moesten al direct aan de Langen Dijk bij Rilland een uur wachten, daar de rijweg onder aan de dijk onder water stond en daar er boven op de dijk sinds jaren niet meer was gereden, moest deze dijk met platen berijdbaar worden gemaakt, om uit Zeeland in Brabant te kunnen komen. Een detachement Amerikaanse soldaten welke al uit Duitsland waren gekomen, was hiermee bezig. Het was toen ongeveer 6 uur voor we door konden. In Tilburg zijn we toen allen in een hotel gegaan om wat te eten. Wij hadden daar veel vragen te beantwoorden die er aan ons gedaan werden, daar de mensen al vlug zagen dat we vluchtelingen waren uit het overstroomde gebied.

Wij kwamen zowat om half 1 ’s nachts aan in Epe, in huize "Jachtlust" waarin de Familie Wiskerke woonde. Wij zijn daar toen even gebleven om moeder met de kinderen een goed plaatsje te bezorgen en ik ben met Kees direct ’s nachts teruggereisd naar Krabbendijke.

Ali was naar Middelburg gegaan, daar zij in blijde verwachting verkeerde, waar wij intussen ook veel mee inzaten. Voorlopig moesten zij bij Wiskerke op de vloer slapen, maar de andere dag zou hij al een pension voor hen opzoeken.

Wij hebben toen de hele nacht gereden en kwamen ’s morgens om 7 uur te Tilburg, waar wij aan de kant van de weg een uurtje hebben gestaan, daar we veel slaap kregen.

Liza en Nel waren op Krabbendijke gebleven, daar Nel voor de mannen moest zorgen en eten en drinken moest klaar maken.  De vrouw van Sinke was met haar zuster en dochter en Joos hun jongste zoon naar Voorthuizen in Gelderland gegaan ook naar kennissen. Jan Sinke en Han en Henk waren bij ons. Maar daar zulks voor Nel veel te druk was hebben we al vlug Corrie terug gesmokkeld uit Voorthuizen. Feitelijk mocht zulks wel niet daar aan de grens van Zeeland alles werd gecontroleerd. Maar het gelukte, zodat zij nu voor ons kon zorgen.

Gerard had van de Burgemeester verlof gekregen daar ze die hier goed konden gebruiken voor alles te regelen enz. Ook was Ko Overbeeke uit Dordt naar hier komen kijken hoe het met ons allen was afgelopen, maar ook deze hield de Burgemeester vast in overleg met Commissaris in Dordt, voor bewaking en politiediensten alhier.

 

88

 

Hij is hier een 14 dagen gebleven en wij gingen dan elke week het weekeind over naar Epe. Jan Weststrate reed dan met de auto en dan namen we Jan Sinke mee tot Voorthuizen. Wij kwamen dan 's Maandagsmorgens weer terug. Zo zijn ze daar geweest tot dinsdag 17 maart, toen zij weer vergunning kregen om terug te keren. Wat was Moeder toen blij dat ze weer in haar eigen huisje was. Zij had het daar best naar haar zin gehad. Ze waren in pension bij de familie Gorter, pension "Marijke". De familie Sinke zijn toen nog een paar weken bij ons gebleven. Corrie hielp dus met Bets mee.

Het plan rijpte bij ons alras om van dit feit een Gedenkboek uit te geven. Liza had daar veel zin in en ik was daar ook erg voor. In diverse dagbladen plaatsten we toen een oproep voor foto’s die allerwege waren gemaakt en er kwamen zeker wel een 5 à 600 binnen. We hebben de beste er uitgehaald voor ons boek geschikt en kregen deze gaarne in bruikleen. We hadden een 4-tal schrijvers gevonden. Een uit Krabbendijke, Rilland-Bath en Kruiningen en een geschiedschrijver. Zo is dan het zeer merkwaardige boek verschenen dat zowat over heel de wereld is gegaan:

 

Gedenkboek van de Watersnood in Oost-Zuid-Beveland

 

Wij volstaan hiermede ook verder uit te weiden. Elk een is wel in het bezit van dit boek, waarin foto’s, gebeurtenissen en een lijst van de omgekomen slachtoffers voorkomen.

Op dinsdag 7 april is toen Kees en Ali een zoontje geboren, waarvan we reeds in het kort melding maakten. Zij waren 11 jaar getrouwd. Grote blijdschap bij hen en ons allen.

Op 17 september is Murre naar Barneveld gegaan naar een Contactman voor emigratie naar Canada. Hij had daar een meisje afkomstig van Rilland, maar die met haar ouders was mee gegaan. Hij kreeg daarvoor nog vervroegd examen van het Zettersdiploma, wat hij behaalde, maar intussen moest hij soldaat worden, zodat van emigratie niet veel meer is gekomen. Het meisje huwde met een ander en hijzelf is na zijn diensttijd in Eindhoven terecht gekomen, waar hij later met een Roomse is getrouwd.

 

1954

 

Wat de toestand van haar lichaam betrof ging het met onze lieve Vrouw en Moeder er niet op vooruit. Het lopen ging hoe langer, hoe moeilijker.

Toch mochten we op vrijdag 26 maart onder zeer grote belangstelling het 40-jarig bestaan onzer zaak en tevens ons 40-jarig Huwelijksfeest vieren. Een apart archief van al die kaarten, gelukwensen en telegrammen en brieven is hiervan in ons bezit. Het was voor ons beiden en voor onze kinderen een onvergetelijke dag, waarvoor wij de Heere niet genoeg kunnen danken en Hij alleen de ere er van toekomt.

Ook was zij die dag erg goed gesteld en vond het wat aangenaam zoveel vrienden, bekenden en familie te mogen ontmoeten. Zij hield altijd veel, zeer veel van

 

89

 

van haar familie en op zulk een dag ontmoette zij hen dan allen.

Op woensdag 19 mei d.a.v. is Liza naar het Ziekenhuis  gegaan ter operatie van een breuk. Waar hij daar allang mee had gelopen adviseerde de dokter dat hij zulks moest laten doen. Wat dan ook gebeurd is, door een zekere Dokter Surenbroek, welke helaas een paar jaar later met z'n auto nabij Lugtenburg is verongelukt. Hij was een zeer bekwame chirurg en heeft Liza uitstekend en goed behandeld.  Op vrijdag 28 mei, net na Hemelvaartdag kon hij weer huiswaarts keren.  De heere had ook nu alles wel gemaakt.

1955

Op zaterdag 22 januari heeft Jaap van Boven ontslag genomen,  daar hij vertegenwoordiger is geworden voor het Levensmiddelenbedrijf van de Firma Cok uit Goes. Hij ging dus het vak weer uit. Hij was ongeveer 5 jaar bij ons geweest.

Op dinsdag 5 juli is Bets met vakantie gegaan naar Merano in Italië.

Zij heeft daar een zeer aangename vakantie doorgebracht en veel schoons gezien en genoten. Zij is daar 10 dagen geweest.

1956

Op woensdag 25 januari was het voor ons weer een blijde dag, daar Gerard in het huwelijk zou treden met Corrie en tegelijk op die dag een zuster van haar namelijk Pie Sinke met Kees Sinke janszn.  van de Langen Dijk.

Was dus voor de Familie Sinke een dubbel huwelijksfeest.  

Wij hebben hiervan een fotoreportage in ons familiealbum.

Onze lieve Vrouw en moeder was echter niet meer in staat om te lopen en is de Burgemeester zelf aan huis geweest om haar de acte te laten tekenen. Wij hebben toen een telefonische leiding vanuit het Gemeentehuis aan laten leggen en kerktelefoon hadden we ook, zodat ze alles vanuit haar stoel kon volgen, wat ook goed is gelukt.

Bet van Luijk, Broer Johannes zijn vrouw is al die tijd toen bij haar geweest. Het is voor haar wel erg verdrietig geweest maar het ging nu eenmaal niet anders. We waren toch nog blij dat ze het zo horen kon, door middel van de techniek.

Gerard was intussen bevorderd tot commies ter Secretarie en werd dan ook door de Burgemeester, die zelf het huwelijk van die beide paren voltrok extra toegesproken.

In de kerk heeft Dominee Bel hun huwelijk bevestigd met de woorden uit:

Jesaja 26 vers  4.

's Avonds hebben we toen ook moeder meegenomen en heeft zij tot het einde toe er bij kunnen wezen en er niks van geweten.

Juist op die dag was het aangenaam en heerlijk winterweer. Een stralende dag dus en de Heere had tot dusver alles wel gemaakt. Zij kregen een huis toegewezen van de Gemeente in de Johan Willem Frisostraat Nummer 12 en hebben daar gewoond tot juli 1958.

Acht dagen daarna echter valt een zeer strenge vorst in, die zo ongeveer heel de maand februari aanhoudt, vooral op de 23ste vroor het bijzonder hard.

Op maandag 27 volgt dan het einde van de vorstperiode.

Op Zaterdag 28 april, juist op moeders verjaardag neemt Liza van Johannes z’n ontslag, nadat hij 14 jaren bij ons in betrekking is geweest. Ook hij ging het vak verlaten en werd Shell benzineverkoper.

 

90

 

Op 29 en 30 mei ben ik naar Enschede geweest naar het Congres van de Drukkerspatroons en door geheel Twente gereden.

Op 11 juni naar Antwerpen met de Zeeuwse drukkers naar het Museum Plantijn. Echter toen de ganse dag regen.

In tussen hadden we weer een nieuwe leerling aangenomen in de drukkerij namelijk Jo Koeman, welke tot op heden nog bij ons is. We zijn met hem mee geweest naar Den Haag, daar hij getest moest worden. Wat goed is afgelopen.

 

In augustus van dit jaar hebben we een splinternieuwe Auto aangeschaft een Opel Olympia, waar we tot op heden zeer veel gemak en voordeel van hebben. We halen daarmee veel werk op en brengen het er ook mee weg.

Weer een groot gemak en een grote zegen. Nu kunnen we moeder nog eens overal mee naar toe nemen en zij rijdt graag auto ook.

1957:

Donderdag 9 maart wordt voor ons weer een minder aangename dag. Op die dag krijgt Bets, welke altijd zulk een goede verzorgster voor haar moeder was, zogenaamde hernia in haar rug, vermoedelijk wel door het optillen van haar moeder. Wij sliepen nog altijd boven, zulks op uitdrukkelijk verlangen van de dokter, daar haar benen dan nog wat in beweging bleven en Gerard kwam dan ’s avond en 's morgens helpen, maar op de duur ging zulks niet meer. 's Nachts kon ik ze vrijwel alleen helpen dat ik voor haar een speciaal gemakkelijk zitje had gemaakt.

Bets had zulks reeds lang gevoeld, maar gedacht ’t zal wel weer overgaan. Maar het werd erger. We moesten de dokter raadplegen en ze zou 6 weken moeten gaan liggen en een plank onder haar bed. Het zag er nu voor ons maar donker uit. We waren onze goede hulp kwijt. We deden het altijd zoveel mogelijk samen met Gerard, maar nu moest er hulp bijkomen.

We zijn toen overeengekomen dat Liza en Nel bij ons zouden inkomen wonen en dan gingen ze alleen 's Zaterdagsmiddags naar hun eigen huis. Nel kon er vlug goed mee omgaan en dus waren we weer geholpen. Des Zondags kwamen dan Gerard en Corrie. Zo hebben we dat 4 weken gedaan en toen zijn Gerard en Corrie nog 2 weken geheel gebleven. Toen mocht Bets weer stilletjes aan beginnen, maar toch wilde die pijn niet weg. Maar we kwamen er weer door en de Heere hielp ons ook weer op ditmaal.

Op woensdag 24 april kregen we op Krabbendijke een nieuwe Burgemeester daar Burgemeester Vader destijds benoemd was in Pijnacker. Het was de Heer L. Cnossen uit Nederhorst den Berg.

Op 17, 18 en 19 juni ben ikzelf met de Zeeuwse drukkers naar Heidelberg in Duitsland geweest. Een aparte reisbeschrijving heb ik hiervan. Dus ga ik daar nu verder niet op in. Ook de nodige foto’s. Het waren 3 zeer warme dagen, maar prachtig zomerweer.

Op dezelfde dag is Moeder met Bets naar Dordt gegaan voor 3 dagen naar Mientje. Zij hebben ook daar veel genoten. We waren weer op dezelfde avond allen tezamen thuis.

Op donderdag 27 juni zijn we met haar naar Terneuzen geweest naar zuster Bet en Marien van Langevelde met haar kinderen.

Toen op woensdag 31 juli zijn we met Bets naar Epe gegaan, op advies van de dokter. Zij moest een 14 dagen volkomen rust houden en er eens uit.

Zij kon daar in pension bij de Familie v.d. Worp. Die omgeving was haar daar goed bekend uit 1953 en dat ging dus door. Hoewel het anders uit zou lopen. Want nauwelijks is zij daar een paar dagen of zij valt met haar fiets en valt op haar been, zodat zij met haar been op een stoel

 

91

 

moest gaan zitten. We zeiden toen tegen elkaar; Zulks kan zij dan thuis ook wel doen, daar het toch zeker wel minstens 8 dagen zou duren. We hebben nog een paar dagen afgewacht naar het verloop, maar zijn er op donderdag 8 augustus weer om gegaan.  Gelukkig heeft zij geen nadelige gevolgen van die val overgehouden.

Toen zijn we samen ook met Moeder op vrijdag 6 december naar Dordt geweest daar Ko op die dag 30 jaar werd. Het zou ook de laatste keer zijn dat we naar hen in Dordt zouden gaan, daar ze reeds lang van plan waren naar West Indië te gaan. Hij kon daar ook weer een baan krijgen bij de Politie. En zo  was het dan nu besloten dat zij begin januari daar naar toe zouden gaan. Te begrijpen dat zulks voor ons maar een harde boodschap was. Zij hadden daar een mooi huis en hij een goede betrekking en nu zo ver weg. Moeder heeft wat geweend omdat zij ze nu naar zij meende nimmer meer zou zien, wat thans bewaarheid is ook.

Vooraf echter zouden ze nog een poosje naar Krabbendijke komen en dit is dan ook geschied in eind der maand december. Ze waren dan om beurten een paar dagen bij ons en dan weer een paar dagen bij Coos z’n ouders.

Intussen hadden wij plannen gemaakt, ook en vooral met het oog op de toestand van Moeder om de zaak te verlaten en aan Liza over te doen.

Althans dat hij er dan in zou komen wonen. Het werk was steeds toegenomen en omdat hij 's avonds nog al veel werken moest, zou zulks veel gemakkelijker wezen dat hij in de zaak woonde.

Eerst hadden we nog gedacht met woning te ruilen, dat we echter moesten opgeven omdat we dan midden in de mensen zaten en met het oog op moeder haar toestand leek ons dit niet wenselijk.

Wij zijn toen na veel beraadslagen en praktiseren tot de slotsom gekomen een geheel nieuwe woning te bouwen. Nu hadden wij in Epe destijds een prachtwoning gezien ook pad nieuw van de Heer Wiskerke, een Bungalow.

En dit leek ons een zeer geschikt iets ook voornamelijk voor ons. Alles gelijkvloers. Geen trappen meer te klimmen en de slaapkamer direct achter de woonkamer. We stelden ons in verbinding met de Heer Klap van Waarde, die ook dit huis in Epe had gebouwd.

Gerard had de situatietekening van het Gemeentehuis meegebracht en aan de Westweg kwam een prachtig mooi hoekje grond te koop, waarop wij toen maar dadelijk beslag hebben laten leggen en het zouden kopen.  Een beschrijving hiervan hoef ik niet nader te geven, daar het alles uitgevoerd is en er nu ligt en staat zoals het plan was. Het wachten was nu alleen maar op de vergunning om te gaan bouwen.

Intussen naderde het jaar 1958:

Het zouden voor ons en vooral voor onze lieve Vrouw en Moeder nog een paar moeilijke dagen worden. Het vertrek van Mientje met haar man en kinderen was vastgesteld op maandag 6 januari met een toeristenschip uit Italië, dat naar de Nederlandse Antillen voerde, dus naar Willemstad.

Ge kunt begrijpen wat dit voor hen en ook voor ons was. Vooral voor haar lieve Moeder, die zij hier in het land der levenden niet meer zou zien.

En zo zijn zij dan op die morgen vertrokken na een hartroerend afscheid van ons. Liza en Nel en Pie en Ria en Jo Overbeeke zijn met auto's meegegaan naar Hoek van Holland, daar zij in Engeland op die boot moesten. Het was een zeer stormachtige dag en wij zaten toch al zo in spanning, zodat dit er ook nog bij kwam. Maar achteraf zou toch blijken dat één en ander nog was meegevallen. Zij hadden zo veel storm niet gehad dan wij. Met Moeder viel het nog al mee, omdat Mientje nu toch al een paar jaar van huis was, daar zij gehuwd waren en oud genoeg, konden zij zelve

 

92

 

over hun levensloop beslissen en konden wij hen daarvan niet tegen houden. Hun besluit was genomen en zij konden niet meer terug. Maar gelukkig maken zij het daar goed en hebben het best naar hun zin. Een reisbeschrijving met een fotoalbum hebben we apart van die reis. Ik ga dus deze hier niet beschrijven. Ze zijn goed aangekomen en hebben een prachtige reis gehad.

Op dinsdag 25 februari hebben we hier een zeer zware sneeuwstorm gehad, waardoor zeer veel storingen in het verkeer ontstonden.

Inmiddels was de aanvrage voor de vergunning van onze nieuwe woning opgezonden en op 14 april kon met het bouwen een aanvang worden genomen.

Het huis aan de Beatrixstraat hadden we goed kunnen verkopen aan de Boerenleenbank, zodat we in de bouwkosten van onze nieuwe woning een flink tegoed kregen. De Firma Gebroeders Molhoek hebben het aangenomen, daar zij de laagste inschrijvers waren. We hadden dit onder onze klanten aanbesteed. Ook het schilderwerk, wat we apart hadden aanbesteed. Met man en macht is er aan gewerkt, en het weer liep in dat voorjaar ook erg mee, en we moesten vlug klaar zijn, daar de klerk van de Boerenleenbank wilde gaan trouwen en het huis van Liza zo gauw mogelijk moest worden ontruimd.

Zodoende konden wij op maandag 14 juli 1958 naar onze nieuwe woning gaan verhuizen, nadat wij 44 jaar en 100 dagen aan de Dorpsstraat 87 hadden gewoond en de Heere ons daar rijkelijk had gezegend. Wij konden node afscheid nemen, doch daar wij zelf 69 jaar oud waren en het gestel van onze lieve Vrouw en Moeder ook zeer veel rust vereiste waren wij het al ras goed gewoon. Veel lief en leed hadden we daar op het dorp meegemaakt, maar de Heere had ons allen nog gespaard en wij waren allen nog bij elkaar.

Wel ging de toestand van Moeder achteruit, zodat zij ook haar handen niet meer kon gebruiken en ook haar spraak veel verzwakte. Maar zij was nog in ons midden en wij hebben het leven voor haar zo gemakkelijk mogelijk ingericht. We hebben een rolstoel voor haar laten maken, zodat we zeer gemakkelijk konden verplaatsen.

De ander dag is toen Liza verhuisd. In diezelfde week ook Gerard, die een huis had gekocht aan de Oostweg, waar vroeger een commandant van de Rijkspolitie in woonde. Het was dus wel een drukke week. Maar allen hebben ze ons geholpen. Ali en Kees en Corrie, de éen hielp de ander en zo kwam het voor elkaar. Vooral voor Moeder waren ze allen op het hardst in de weer. Ook Pie, niet te vergeten, die hoewel zij zelf een groot gezin had zich af sloofde om het haar maar zo aangenaam mogelijk te maken.

Wij hadden het vanzelf erg druk de eerste dagen. Alles opruimen en weer een plaatsje geven. Als men 44 jaar in dezelfde woning heeft gewoond komt er heel wat te voorschijn.

In de eerste plaats moesten we denken om Moeder zulk een plaatsje te geven dat ze gemakkelijk overal naar buiten kon kijken.  Zij had nu 44 jaar achter gezeten en nu keek zij van alle zijden de polder in en op de straat. Veel mensen die zij in geen jaren had gezien kende zij nog en wuifden op haar en zij deed dit dan terug.

Zij heeft daar nog enkele maanden veel genoten van de omgeving. Zij zat in een gemakkelijke stoel en zat heerlijk en genoegelijk in het zonnetje.

Ook deze zomer moest zuster Nee zich aan operatie onderwerpen van haar maag. Gelukkig is dit op heden zonder ernstige gevolgen geweest.

Daarna was zij goed en wel thuis of ook Zuster Sanne moest geopereerd

 

93

 

worden en wel een van haar borsten afgezet worden. We zaten hiermede erg in, maar tot op heden is zulks niet met ernstige gevolgen geweest. Zuster Nee is toen sinds 14 dagen bij ons geweest, zulks tot genoegen van Moeder, die o zo blij daarmee was. Zij had o zo graag gezelschap bij haar.

Toen op maandag 3 november moest Kees weer naar Goes voor een operatie. We brachten Zuster Sanne mee en Kees brachten we er weer. Hij moest ook van een breuk worden geopereerd. Het was dus dit jaar voor ons wel een jaar, waarin wij met het Ziekenhuis kennis maakten. Maar de Heere wendde dit ook weer ten goede en reeds zaterdags van dezelfde week mocht ook hij weer genezen terug keren.

Alles bij elkaar genomen wal reden om de Heere te erkennen voor al die weldaden. Hoe velen moeten er niet blijven in het Ziekenhuis of komen nimmermeer terug. Ook Broer Johannes had in datzelfde jaar 6 weken in het Ziekenhuis doorgebracht, daar hij in het begin des jaars een hartaanval had gehad. Wel mag hij niet meer werken, maar dit is ook gezegend afgelopen.

Omstreeks Kerstmis was het dat de toestand van onze lieve Vrouw en Moeder weer ging verergeren. We hebben er de dokter weer bijgehaald, hoewel hij haar regelmatig kwam bezoeken, maar nu durfden we niet langer te wachten en hij constateerde dat haar hart verzwakte. Dit was voor ons een teleurstelling, daar hij altijd zeide dat het hart bijzonder sterk was. Doch we zouden het maar in Gods hand overlaten. Hij alleen wist wat ons te wachten stond.

Wij hebben veel met haar gebeden en voor haar gelezen en zij was altijd zo weemoedig. Toch heb ik het zolang mogelijk volgehouden en zij was daar erg op gesteld. Als ik dan vroeg:  zal ik weer wat voor je lezen, vond zij het altijd goed en was ze blij.

En nu 1959:

Na Nieuwjaar heeft de dokter haar tabletten verstrekt tot ondersteuning van het hart, die werkelijk goed hielpen. Maar de bemoeienissen om haar heen, werden voor haar minder en bekommerde zij zich niet weerom. Als wij haar in haar stoel zetten, keek zij niet meer naar buiten en zat maar stil voor zich uit staren, of met haar ogen dicht. Zij kon ook niet meer hele dagen opblijven en we zagen dat haar toestand minder werd.

Wel hadden we af en toe nog hoop zoals vroeger ook wel het geval was, dat ze weer wat zou opsterken, maar er was nu eerder achteruitgang dan vooruitgang te bespeuren. We hebben toen ook mede op advies van de dokter maar besloten ongeveer half februari om ze op bed te laten liggen. Zij was ook niet meer genegen om er uit te komen en hoogstens een enkele keer wilde ze er eens uit, maar dan weer na een half uurtje gauw terug. Dan was weer o zo blij dat ze terug in bed lag.

Toen kwam er nog een verhoging bij van temperatuur, wat haar zeker niet goed deed. De dokter kon dat ook niet weg krijgen.

Op Zondag 15 februari mocht ik door Gods goedheid mijn 70ste verjaardag vieren. Ik werd 's morgens wakker en zij vatte mijn hand om mij te feliciteren. Haar gehoor en verstand waren zeer goed. Dit was voor ons bij al de ongemakken die zij had, nog een grote weldaad.

Wij hadden toen de maandag daarop veel bezoek en zij wilde er ook nog bij zijn, daar zij altijd zo blij was als er veel volk kwam, maar we moesten ze 's avonds al vroeg in bed leggen wegens vermoeidheid.

‘s Nachts ging ik er dan geregeld uit en voelde dan aan haar hoofd,

 

94

 

wat altijd klam aanvoelde, doordat de temperatuursverhoging niet weg wilde. Ik bette dan haar hoofd met eau de Cologne, wat ze altijd zeer lekker vond. Daarna sliep ze weer in. Zij was zo kalm en gelaten en rustig, zo zij in geen jaren daarvoor was geweest. Ik kon nu zelf ook bijna de hele nachten slapen, wat wel eens anders was geweest. Het is wel voorgekomen dat ik zo maar alles bij elkaar een paar uur sliep. Het is gelukkig dat ik zelf niet zo veel slaap nodig had. Ik kon er nog al goed tegen. Hoewel het soms wel eens vermoeiend was. 's Morgens hielpen wij haar dan, zodat zij op haar rug lag. Als dan de zon in haar kamer kwam lag zij lekker in de zon, wat haar goed deed. Zij had dan erge rode wangen. Maar de dokter zei dat het goed voor haar was, maar hij vond het ook erg jammer, dat wat hij ook aanwendde, die koorts niet weg kon krijgen, al was het dan ook niet hoog.

Zo naderen wij dan de 28ste februari.

Een dag die wij nimmer zullen vergeten. Als naar gewoonte hadden we haar 's morgens ook met de verpleegster, die de laatste weken om de andere dag haar kwam helpen, ook nu nog geholpen en 's middags had zij nog een lekker bordje soep en een bordje met aardappels en appelmoes opgegeten, wat haar lievelingskostje was. Wij hadden haar daarna weer als gewoonlijk op haar rechterzijde gelegd, om haar middagslaapje te doen. Zij lag dan altijd na de middag even te rusten. Bets was in de keuken bezig en ik zelf was even in de tuin gegaan om wat te werken. Het weer was prachtig en de grond was goed om te bewerken. Om omstreeks half 2 komt Bets naar buiten en roept Vader, kom eens gauw naar Moeder, zij doet zo raar en ligt met haar ogen wijd open te staren. Zij zei nog tegen haar roep je Vader eens! Ik liep zo vlug als m'n benen konden dragen naar haar toe en zag al direct dat het niet goed ging. Belde direct de dokter op, maar daar deze geen dienst had op zondag a.s. was hij weg. Ik belde dan ook direct naar Dokter Kamps op Rilland, die die zondag dienst had.

Ook direct alle kinderen opgebeld, die er direct bij waren. Intussen was ik bij haar en zag wel dat het niet goed ging. Zij was echter nog zeer goed bij haar verstand en ik heb met haar gesproken uit Psalm 23 over het gaan door het dal van de schaduw des doods. Ik zeide haar dat zij dit nu alleen zou moeten doen, maar als Christus haar Leidsman mag wezen, dan ben je niet alleen, maar heb je anders geen mens nodig. Toen glimlachte zij even en knikte op mij, maar daarna begon zij weer hard te wenen.

Intussen was de dokter er bij en hij vroeg een en ander omtrent hare ziekte. Hij heeft toen bloed genomen en dat hielp even. Een injectie maar die hielp niet veel. Hij constateerde een hartaanval Toch kwam ze weer bij en heb ik nog veel met haar gepraat. Ik heb haar weer gewezen op die Psalm en die tekst voor haar opgezegd:

Al ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij. Uw stok en Uw staf die vertroosten

mij. Ik zeide haar: Moedertje nu nu ga je alleen door de doodsjordaan, maar gelukkig als Christus je voorgaat, dan heb je geen kwaad te vrezen. O, wat heeft ze toen gezegd dat ik ze zo goed kon verstaan, terwijl ze anders zo moeilijk sprak: Ja, dan is het goed! Zij keek mij zo vriendelijk aan of zij zeggen wilde: Het is wel en weer weende zij zeer. Ook is Broer Gerard nog bij haar geweest en heeft voor haar gebeden terwijl zij hem nog zeer goed kende en nog veel met haar gesproken, maar zij smolt weg in tranen. Daarna is Vrouw Weststrate nog bij haar geweest, welke vrijwel de laatste is geweest die zij kende. Dominee Bel kwam nog daarna, maar toen was zij

 

95

 

haar bewustzijn kwijt. Hij riep nog tegen haar: Vrouw van Velzen, vertel nog eens wat van vroeger of zeg nog eens iets, maar helaas hij kreeg geen antwoord meer. Hij vroeg haar nog: moet ik eens voor je bidden, maar nu weende zij niet meer als altijd. Haar gehoor was ook weg. Wij hebben toen een lange bange nacht met haar meegemaakt, zodat we af en toe eens even uit haar kamertje moesten om uit te schreien, want de aardse en de liefdeband zou hier doorgesneden worden en dat valt niet mee. Wij wilden dit in haar tegenwoordigheid niet doen, hoewel zij daar niets van merkte.

Om 11 uur kwam de dokter nog eenmaal en hij zei ons er is niets meer aan te doen. Zij is stervende. Haar polsslag was nog geregeld en zij ademde zeer aandoenlijk diep. Omstreeks 1 uur moest die arme stakker toen nog gaan braken ook, wat zij vroeger nooit moest. Wij hebben haar van alle zijden zo veel mogelijk ondersteund en het haar zo gemakkelijk mogelijk gemaakt. Zij had daar nog verlichting bij. Dit duurde zo tot 5 uur in de morgen toen had zij de kracht niet meer om het op te brengen. Daar stonden wij nu, alle machteloos bij haar.

Het komt hier wel treffend in uit: de eene broeder kan de andere niet in het leven houden. We hebben dit die nacht zo duidelijk mogen zien en al is het ons dan nog zo lief en zo dierbaar, wij kunnen niet helpen. Omstreeks 6 uur zegt Kees: Vader ik bel die dokter nog eens op, dan moet hij ze maar een spuitje geven. Zij ligt toch buiten bewustzijn.

Ik zeg: ja doet het maar en hij was er direct bij ook. Maar hij zei ons het zal niet veel helpen. Toch heeft ze nog 3 kwartier daarna geleefd.

Wat had zij nog mooie rode wangen en wat zag ze er nog zeer goed uit. Zij had lichamelijk nimmer pijn gehad en niet geleden. Ik had ze in mijn armen om nog wat te ondersteunen en alle kinderen stonden er ook bij om ze nog wat te helpen. Omstreeks 10 minuten voor 7 zag ik het.

Ik zeide : Nu gaat je lief Moedertje ons verlaten. Er kwam een witte waas over haar rode wangen, gelijk een wolk voor de zon komt en zij was er niet meer. Ik zeide tegen de kinderen. Als je je lief Moedertje nog een kus wilt geven doe het dan maar dadelijk, want zij gaat sterven. Dat was op Zondag 1 maart 1959 des morgens 10 minuten voor 7. Het licht in de natuur ging op en zij ging naar het licht. De eeuwige sabbat in.

De zon begon door te breken en haar zon hier ging onder, maar de Zon der gerechtigheid was haar opgegaan in haar leven en die gaat nimmer onder. Na een lange bange nacht een blijde morgen. Zij heeft dit in haar leven getuigd ook tegen over hen die Gods volk genaamd worden. Al was zij altijd wel veel gesloten en zou ze niet meer zeggen dan zij wist. Zouden wij dan van haar niet mogen geloven zoals de Psalmist zegt: God zal haar helpen in het aanbreken van de morgenstond. De Heere Jezus op de oever, nadat de discipelen een lange bange nacht hadden geworsteld.

Zij ook had jaren geworsteld en getobd, ook over de dingen der eeuwigheid. De discipelen wisten niet dat het de Heere was. Maar toen Hij hen vroeg Kinderkens hebt gij niet enige toespijs toen zeiden zij: Het is de Heere. Zie dat mogen wij ook van haar geloven op goede gronde.

En dat zij daar is waarvan een oude dichter zong:

Daar zal na ’t licht geen duisternis meer komen

Daar wordt geen vreugd door droefheid weggenomen

Daar heeft men voor geen krankheid ooit te vrezen

De zwakste zelfs zal daar heldhaftig wezen.

Daar heeft geen schoonheid vlek,

 't Genoegen geen gebrek

De liefde geen verkoeling

Daar vreest de roem geen nijd

En kent men geen verwijt

Van lage zelfsbedoeling.

 

96

 

Direct op de morgen van haar overlijden heeft Jan Weststrate een telegram naar Mientje en Coos gezonden naar Willemstad. Het was toen bij ons kwart over 7 en om kwart over 8 wisten zij het al. Het telegram had maar circa 7 uur onderweg geweest. De tijd is daar 5 en een half  uur achter als bij ons.

Zij hadden het ook wel lang verwacht maar toch was het ook voor hen een droeve zondag en een harde boodschap.

Wij hebben toen zeer veel deelneming van alle zijden mogen ondervinden. De belangstelling was geweldig. Wij hebben haar een mooie rouwbrief gedrukt en aan onze familie en kennissen toegezonden. Een overlijdensbericht in Zeeuws Dagblad en de Provinciale Zeeuwse Courant.

De toebereidselen voor haar laatste gang naar de dodenakker moesten worden gemaakt. Wij hebben haar een eigen graf gegeven en een mooie eikenhouten kist met eenvoudige bekleding.

Op haar doodbed lag zij zo vredig of ze lag te slapen. Zo lief, dat zelfs de kleine kinderen van Kees en van Pie er telkenmale naar moesten kijken. Vooral Nelleke Weststrate heeft er wat dikwijls naar moeten kijken. Ook toen zij reeds in haar laatste woninkje lag, moest zij nog met haar zusje Ria er naar toe.

Op Woensdag 4 maart, weer een stralende winterdag, ja haast een lentedag, hebben we haar 's middags om 12.30 uur uit haar lief huisje gedragen, waar zij slechts 8 en halve maand onder ’s Heeren bestel in heeft mogen vertoeven. De Heere beschikte het zo en wij moeten Hem daarin volgen, hoe zwaar ook de weg ons viel, die Hij met ons hield. Zo heel graag hadden we ze nog wat in dat gezellig huisje willen houden, maar 's Heeren weg was anders. Zo werd de band verbroken die zo ongeveer 50 jaren tussen ons in Gods gunst gelegd was. Zien we naar anderen van onze medemensen, dan moeten wij God niets ongerijmds toeschikken, want hoevelen valt dit niet te beurt.

De rouwdienst in huis werd geleid door Broer Gerard. Dominee Bel was wel in ons midden, maar daar hij een hartaanval gehad had, was het hem verboden te spreken. Ook was Ouderling Hollebrandse tegenwoordig. Uit Hebreeën 9 vers 25 Het is de mens gezet eenmaal te sterven en daarna het oordeel heeft hij deze tekst verklaard.

Wij hebben toen haar naar buiten zien dragen en achter haar stoffelijk overschot naar de groeve der vertering gegaan. We laten ze hier volgen die haar de laatste eer hebben bewezen:

 

C. van Velzen, Bets en Gerard (Corrie kon wegens een blijde verwachting niet meegaan)

Kees en Ali

Jan Weststrate en Pie

Liza en Nel

Marien van de Broeke en vrouw

Weduwe A. Snoep met haar zoon Kees

Weduwe D. Snoep met haar zoon Kees

G. van Velzen en z’n dochter Jaan

S. van Velzen, Nee van Velzen en Vrouw Weststrate

Johs. van Velzen en vrouw

L. van Velzen en Jan van Velzen

J.M. van Luijk en Vrouw

M. van Langevelde en Vrouw

Frans van Velzen en Vrouw.

Weduwe van Boven - van Velzen en Weduwe Kriekaard

Jan Sinke en Vrouw (buren)

G. Hoekman en Vrouw (idem)

Dominee Bel en S. Hollebrandse.

 

97

 

Lijkdienaar was de heer Adr. Blok van Waarde. Als dragers waren er: C. Dieleman, I. Haverhoek, Jac. van Koeveringe en L. Kriekaard.

Aan de groeve heeft Dominee Bel gesproken en haar herdacht in haar langdurig lijden en zwakte des lichaams en ook op de noodzakelijkheid gewezen om met God verzoend te worden en Christus tot ons eeuwig deel te mogen bezitten.

Kees heeft daarna namens ons allen hartelijk bedankt.

Wij hebben ze toen achter gelaten en haar grafje is kort tegen de weg.

Zij zal daar liggen tot die grote dag der Opstanding, wanneer de graven zullen geopend worden en de doden weer opgewekt zullen worden. Maar wij mogen geloven dat haar ziel tot God is gegaan om Hem eeuwiglijk te loven en te prijzen. Elke dag in het voorbijgaan zien we haar grafje, daar we in de loop van het jaar er een eenvoudige gedenksteen op hebben laten zetten. Zij rust nu van haren arbeid en moge zij de kroon der rechtvaardigheid beërven om deze eeuwiglijk te leggen aan de voeten des Lams en het Heilig, Heilig, Heilig uitgalmen met de vrijgekochte schare.

Na de begrafenis zijn we weer bedroefd terug gekeerd. Zij had ons zo veel jaren met haar liefde omringd en was zulk een zorgdragende Moeder voor haar kinderen en vooral voor haar kleinkinderen, vele jaren hadden wij met haar afgetobd wegens de zwakheden van haar lichaam.

Het plan was dat Ouderling Hollebrandse nog wat zou spreken, maar daar hij zo oud was zou hij het maar voorlezen. Ik heb toen hem voorgesteld dat ik dit wel eens voor hem zou overschrijven en dan aan elk kind zulk een afschrift geven. Wat hij zeer goed vond. Broer Gerard heeft toen nog een en ander vertelt, zodat alles zeer stichtelijk en ordelijk is verlopen en zij een zeer ernstige begrafenis heeft gehad.

Wij hebben echter zeer droeve dagen meegemaakt, daar zij toch zo veel zorg vereiste en wij altijd bij haar thuis waren. Wij missen haar zeer omdat we ze behandelen moesten als een klein kind. Haar verlamde ledematen kon zij totaal niet gebruiken en wij hebben haar dan ook altijd met liefde verzorgd.

Wel kon zij nog al eens lastig wezen, maar dat bracht zulk een ziekte mee, dus moesten wij dat in haar dragen.

Maar de Heere gaf steeds kracht naar kruis, en Hij heeft ons altijd geholpen. Nu moeten wij het leven weer door en de jaren of de dagen die de Heere ons nog toebeschikt, hier op aarde weer zien door te komen. Ook wij worden zo oud en al geeft de Heere ons altijd nog gezondheid en kracht. Wij zijn aan de avond van ons leven. Moge Hij ons geven dat ons verdere leven in Zijn dienst moge besteed zijn. Opdat we hier voor- en toebereid mogen worden wanneer ook straks voor ons het uur zal aanbreken dat wij haar zullen moeten volgen. Hij schenke ons Zijnen Geest en make ons hier bereid voor de eeuwigheid.

En nu moeten we weer terug naar onze dagelijkse arbeid. De Heere zegt tot het volk van Israël in de woestijn: Zegt dat zij voorttrekken. Ook wij moeten dit weer doen én doen wat ons God op de hand heeft gelegd.

Op dezelfde dag van haar begrafenis in de avond werd Gerard benoemd tot Gemeente-secretaris met alle stemmen van de Raadsleden. De Heer Bos was in de loop van 1958 benoemd tot burgemeester van Dirksland en zodoende kwam deze betrekking vacant. Er werden sollicitanten opgeroepen en naar we zeker menen te weten waren er een 50 -tal. Maar die vergadering was uitgeschreven en moest dus doorgaan. Hij vroeg mij nog: Vader, wat moet ik daarmee doen; er naar toe gaan of niet. Ik zeide hem; jongen dat moet je zeker doen. Je lieve Moeder, waarvan hij ook zo zielsveel hield en waar hij dag en nacht voor in de weer was geweest is er niet meer.

Zij zou nimmermeer terug keren. Dit was een afgesnedene zaak.

 

98

 

Maar hij stond nog menselijker wijs gesproken midden in het volle leven en een levenspositie was daaraan verbonden. Dit eist de Heere van ons dat wat wij doen, dit met alle macht moeten doen. Als Hij er Zijn zegen over gebiedt, dan hebben wij maar te doen wat onze hand vindt om te doen. Hoe menigmaal hebben we dit tegen elkander in ons leven gezegd. De hand des vlijtigen zal gezegend worden. En ook zij had nacht en dag gearbeid, om maar haar kinderen vooruit te helpen en de zaak op te bouwen.

En we mogen wel zeggen dat zij daarin een zeer groot aandeel heeft gehad. En daarop heeft de Heere zijn zegen willen schenken. Want de Spreukendichter zegt het immers ook, dat de hand des vlijtigen zal gezegend worden, maar de luiaard zal verscheurde kleren dragen. En daar was zij afkerig van.

Zo is Gerard dan naar die vergadering gegaan met bovengenoemde uitslag. Het was dus weer droefheid met vreugde gemengd. Wat zou zij daarmee blij zijn geweest. Wat zou ook zij gezegd hebben: Wat zijn Gods wegen toch wonderlijk. Wij hebben het niet verdiend, maar Hij doet ons niet naar onze zonden en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden.

Hij heeft toen zijn huis aan de Oostweg goed kunnen verkopen en is toen gaan wonen in het secretarishuis aan de Kerkhoekstraat.   

En op vrijdag 3 april werd hem een dochtertje geboren, waarvan wij reeds melding hebben gemaakt bij de begrafenis van zijn moeder. Dit moest vanzelf naar zijn Moeder heten: Pieternella Cornelia.

En thans weer wat de zaak betreft: Op woensdag 6 mei is voor de drukkerij een splinternieuwe Heidelberger Degelautomaat aangekomen. Zo als men zien kan in 1938 hadden we een gereviseerde gekocht en deze had wel zeer bijzonder voldaan, maar was versleten. Hij had ruimschoots de kosten opgebracht. Maar wij vonden het nu toch maar beter een geheel nieuwe te kopen, welke tot op heden best voldoet en prachtig werk maakt.

Een grote vooruitgang dus weer.

Zoals gezegd was ik zelf op 15 februari 70 jaar oud geworden en wij meenden dat nu de tijd gekomen was om het wat rustiger aan te gaan doen. Ik heb dan ook bedankt als Lid van de Ledenraad voor de Federatie van Boekdrukkers en als afgevaardigde voor Zeeland en ook als Penningmeester van de Districts Opleidingscommissie voor Zeeland.

Zij hebben nog wel van alle zijden getracht mij te bewegen om aan te blijven, maar ik wilde het liever nu maar aan jongere krachten overlaten. Veel werk was er niet aan, maar toch altijd een dag of 3 per jaar naar Utrecht of Amsterdam en nog al eens een avond naar Goes of Middelburg.

Toen op woensdag 15 Juli was het voor de Gereformeerde Gemeente van Krabbendijke een droeve dag. Nog vrij plotseling overleed toen Dominee J.B. Bel. Verwacht werd dat hij aan de lijdende hartkwaal zou sterven, was zulks niet zo want hij kreeg een bloedstorting in de hersens, wat de oorzaak was van zijn dood. Hij had dus onze lieve Vrouw en Moeder maar goed 3 maanden overleefd. Hij had nog aan haar graf gesproken, zo we reeds gemeld hebben.

Onder enorme belangstelling is hij op maandag 20 Juli ter aarde besteld. Hij ligt slechts met een graf open naast haar begraven.

Hiervan hebben wij een boekje uitgegeven, met zijn levensbeschrijving en foto en nog een paar predikaties en de toespraken enz. gehouden bij zijn begrafenis.

Op maandag 14 september is toen nog voor de drukkerij een Vouwmachine gearriveerd. Deze konden we zeer best gebruiken. Alweer dus een goede vooruitgang. Ook namen we op diezelfde dag nog in dienst H. v.d. Velde een drukker-zetter uit Kruiningen. Ook hij is een goed vakman en deze kon er nog best bij.

 

99

 

Eind november is toen nog een zogenaamde Proefpers voor de drukkerij aangekomen welke Liza gekocht had. Ook deze werd voor ons onmisbaar, daar veel boeken gedrukt worden en alzo elke pagina op deze pers een zeer gemakkelijke proef kan worden getrokken.

En zo zijn we aan het eind van onze wederwaardigheden, lotgevallen en herinneringen gekomen. Er zal wel eens wat vergeten zijn, maar de zeer grote moeilijkheid was voor mij omdat voor de oorlog geen agenda werd bijgehouden.

Dit moest ik dus alle maar uit herinneringen en mijn gedachten ophalen. Na de oorlog was zulks gemakkelijker, daar wij toen een dagelijkse agenda met aantekeningen bijhielden.

En nu laten wij de verdere loop der zaak en ons familieleven weer over aan anderen, die daar lust toe gevoelen.

De Heere heeft ons veel wederwaardigheden, voor- en tegenspoed doen ondervinden, maar nochthans heeft Hij ons rijkelijk gezegend en mogen wij met de dichter van de oude dag uitroepen:

 

Wat zal ik met Gods gunsten overslaân,

Die trouwe Heer' voor Zijn gena vergelden?

’k Zal bij den kelk des heils Zijn Naam vermelden

En roepen Hem met blijd' erkentenis aan.

 

De aandachtige lezer van deze herinneringen mag er dan op letten uit welke afkomst wij opgekomen zijn en wat de Heere ons tot nu toe zo rijkelijk en onverdiend heeft geschonken.

 

Zijn groten Naam alleen zij daarvoor de ere.

 

Winter 1959 / 1960.

 

C. van Velzen.

 

100